Hoger beroep vreemdelingenzaak ongegrond verklaard door Raad van State
ECLI:NL:RVS:2026:414, Raad van State, 27-01-2026, BRS.25.002074
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij brief van 22 september 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in kennis gesteld van haar besluit om de overdrachtstermijn met twaalf maanden te verlengen (hierna: het verlengingsbesluit).
Kern van de zaak
Een vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S.H. van Wingerden, heeft hoger beroep ingesteld bij de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank in een vreemdelingrechtelijke zaak. De precieze aard van het geschil (verblijfsvergunning, uitzetting of anderszins) is niet volledig kenbaar uit de beschikbare tekst.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank is bevestigd. De Afdeling heeft toepassing gegeven aan artikel 91, tweede lid, Vw 2000, omdat het hogerberoepschrift geen rechtseenheids- of rechtsontwikkelingsvragen bevat die nadere motivering vereisen.
Impactscore
LaagDe uitspraak is volledig routinematig: de verkorte afdoeningsprocedure ex artikel 91 lid 2 Vw 2000 wordt toegepast, er worden geen nieuwe rechtsvragen beantwoord en de uitspraak heeft geen precedentwerking.
Belangrijkste punten
- 1Toepassing van de verkorte afdoeningsgrond ex artikel 91 lid 2 Vw 2000: geen nadere motivering vereist.
- 2De Afdeling neemt de motivering van de rechtbank (overwegingen 6 en 7) integraal over.
- 3Het hoger beroep bevat geen vragen van belang voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in algemene zin.
- 4De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden aan appellant.
- 5Uitspraak is gedaan door een enkelvoudige kamer van de Raad van State.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt het routinematige gebruik van de versnelde afdoeningsprocedure in vreemdelingenzaken ex artikel 91 lid 2 Vw 2000 en heeft geen precedentwerking. Er worden geen nieuwe rechtsvragen beantwoord.
Praktische impact
Voor de vreemdeling betekent de bevestiging dat de beslissing van de minister in stand blijft en er geen proceskosten worden vergoed. Verdere rechtsmiddelen zijn niet beschikbaar.
Onderwerp-impact
In vreemdelingrechtelijke procedures bevestigt deze uitspraak dat de Raad van State de verkorte motiveringsplicht toepast wanneer hogerberoepsgronden geen rechtsontwikkelende vragen opwerpen, wat de doorstroming van zaken bevordert.
Samenvatting
In deze vreemdelingrechtelijke procedure heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 27 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep. Een vreemdeling, bijgestaan door mr. S.H. van Wingerden uit Zoetermeer, had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank. De precieze inhoud van het onderliggende geschil — vermoedelijk een beslissing van de minister op het gebied van verblijfsrecht of uitzetting — is niet volledig kenbaar uit de beschikbare tekst van de uitspraak. De Afdeling heeft het hoger beroep ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd. Daarbij is uitdrukkelijk toepassing gegeven aan artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, op grond waarvan een uitspraak in hoger beroep niet nader gemotiveerd hoeft te worden indien het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden. De Afdeling heeft vastgesteld dat het ingediende hogerberoepschrift niet aan deze drempel voldoet. De motivering van de rechtbank, zoals neergelegd in overwegingen 6 en 7 van haar uitspraak, is integraal overgenomen door de Afdeling. De minister is niet veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door een enkelvoudige kamer. Deze zaak heeft een puur routinematig karakter en schept geen nieuw recht. De verkorte afdoeningsprocedure ex artikel 91 lid 2 Vw 2000 wordt in vreemdelingenzaken veelvuldig toegepast om de instroom van kansloze hoger beroepen beheersbaar te houden. Voor de vreemdeling resteert geen rechtsmiddel meer.