Handhaving houtopslag op natuurbestemming in hoger beroep beoordeeld
ECLI:NL:RVS:2026:4139, Raad van State, 15-07-2026, 202405118/1/R2
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 1 november 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Valkenswaard aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd wegens gebruik van grond in strijd met het bestemmingsplan en het realiseren van bouwwerken zonder vergunning. Het college heeft aan zowel [appellant] als [bedrijf] een last onder dwangsom opgelegd omdat het perceel aan de [locatie] deels in strijd met de bestemming "Natuur" werd gebruikt voor houtopslag en houthandel en er bouwwerken waren gerealiseerd zonder omgevingsvergunning. Daarnaast moest de aangebrachte verharding worden verwijderd. [appellant] is het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat het college handhavend mocht optreden. Volgens [appellant] heeft de rechtbank op drie punten ten onrechte geoordeeld dat het overgangsrecht niet van toepassing is.
Kern van de zaak
Eigenaar van een perceel in Valkenswaard (kadastraal E926) met bestemming 'Natuur' wordt geconfronteerd met een last onder dwangsom van het college wegens gebruik voor houtopslag en houthandel en onvergunde bouwwerken. De eigenaar beroept zich op overgangsrecht en vecht de handhaving aan. De rechtbank verklaarde zijn beroep ongegrond, waarna hij hoger beroep instelde bij de Raad van State.
Beslissing van de rechter
De uitspraak is onvolledig aangeleverd; de eindbeslissing van de Raad van State is niet zichtbaar in de tekst. Op basis van de beschikbare overwegingen beoordeelt de Raad of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college handhavend mocht optreden, waarbij de toepasselijkheid van het gebruiksovergangsrecht (peildatum 26 juni 1986) en het bouwovergangsrecht centrale geschilpunten zijn.
Impactscore
LaagHet betreft een casuïstische handhavingszaak op gemeentelijk niveau zonder aanwijzingen van fundamentele of richtinggevende rechtsontwikkeling; de uitspraak is bovendien onvolledig aangeleverd, waardoor de definitieve beslissing onbekend is.
Belangrijkste punten
- 1Het perceel had de bestemming 'Natuur' maar werd gebruikt voor houtopslag en houthandel, wat strijdig is met die bestemming.
- 2Appellant beroept zich op gebruiksovergangsrecht en stelt dat het gebruik vóór de peildatum van 26 juni 1986 al bestond.
- 3De rechtbank oordeelde dat het overgangsrecht niet van toepassing is en verklaarde het beroep van de eigenaar ongegrond.
- 4Het beroep van het huurdersbedrijf werd gegrond verklaard omdat het bedrijf ten tijde van het besluit op bezwaar het perceel al had verlaten en niet meer aan de last kon voldoen.
- 5In hoger beroep spitst de procedure zich toe op drie punten: het gebruik vóór de peildatum, het ontbreken van een rechterlijk oordeel over bouwovergangsrecht, en mogelijk een derde (onvolledig weergegeven) punt.
Impactanalyse
Juridische impact
De zaak biedt inzicht in de toepassing van gebruiks- en bouwovergangsrecht bij bestemmingsplanhandhaving, met name de bewijslast voor gebruik vóór een historische peildatum. De precieze rechtsgevolgen zijn onzeker door de onvolledige tekst.
Praktische impact
Voor de eigenaar van het perceel is handhaving via een last onder dwangsom aan de orde; het beroep op overgangsrecht kan van doorslaggevend belang zijn voor de vraag of de handhaving rechtmatig is en of de opgelegde dwangsom in stand blijft.
Onderwerp-impact
De uitspraak raakt de handhavingspraktijk bij gebruik van gronden met een natuurbestemming en de reikwijdte van overgangsrechtelijke bescherming bij langdurig historisch gebruik en onvergunde bouwwerken.
Samenvatting
Deze zaak betreft de handhaving door het college van burgemeester en wethouders tegen de eigenaar van een perceel in Valkenswaard dat de bestemming 'Natuur' heeft maar jarenlang werd gebruikt voor houtopslag en houthandel. Op het perceel waren daarnaast bouwwerken gerealiseerd zonder omgevingsvergunning en was verharding aangebracht. Het college legde aan zowel de eigenaar als het huurdersbedrijf een last onder dwangsom op. De rechtbank verklaarde het beroep van het bedrijf gegrond — omdat het bedrijf ten tijde van het besluit op bezwaar het perceel al had verlaten en niet meer aan de last kon voldoen — maar verklaarde het beroep van de eigenaar ongegrond. De eigenaar stelde hoger beroep in bij de Raad van State. In hoger beroep staat centraal of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college handhavend mocht optreden jegens de eigenaar. De eigenaar voert aan dat het achterste deel van het perceel al vóór de door de rechtbank vastgestelde peildatum van 26 juni 1986 werd gebruikt voor houtopslag en houthandel, zodat dit gebruik bescherming geniet onder het gebruiksovergangsrecht van het bestemmingsplan. Daarnaast bekritiseert hij dat de rechtbank geen oordeel heeft gegeven over de toepasselijkheid van het bouwovergangsrecht op de aanwezige bouwwerken. Een derde bezwaargrond is in de beschikbare tekst niet volledig weergegeven. De definitieve beslissing van de Raad van State is op basis van de aangeleverde tekst niet vast te stellen, omdat de uitspraak onvolledig is. De zaak illustreert de complexiteit van historisch gebruik en de bewijslast bij beroepen op overgangsrecht in het omgevingsrecht, en is relevant voor eigenaren van percelen met een langdurige, mogelijk beschermde gebruikshistorie die geconfronteerd worden met handhaving.