Omgevingsvergunning uitbouw geweigerd wegens strijd welstand
ECLI:NL:RVS:2026:4137, Raad van State, 15-07-2026, 202403770/1/R3
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 5 juli 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zwolle geweigerd om aan [appellant] een omgevingsvergunning te verlenen voor het plaatsen van een uitbouw aan de woning op het perceel [locatie] in Zwolle. [appellant] woont aan de [locatie] in Zwolle. Op zijn perceel staan een woning en een schuur. De woning bestaat uit twee delen, een monumentaal tolhuis aan de straatzijde met daarachter een aangebouwde schuurwoning. Op 11 april 2022 heeft [appellant] een omgevingsvergunning aangevraagd voor het plaatsen van een uitbouw aan de van de dijk af gezien rechterzijde van de schuurwoning. Het college heeft de vergunning bij besluit van 5 juli 2022 geweigerd. Aan die weigering heeft het college twee weigeringsgronden uit artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo, ten grondslag gelegd. Het bouwplan is volgens het college in strijd met redelijke eisen van welstand en met de regels van het bestemmingsplan "Stadshagen I". [appellant] is tegen het besluit van 5 juli 2022 in bezwaar gegaan. Het college heeft het bezwaar bij besluit van 23 november 2022 ongegrond verklaard.
Kern van de zaak
Een bewoner in Zwolle vroeg een omgevingsvergunning aan voor een uitbouw aan zijn schuurwoning naast een monumentaal tolhuis. Het college weigerde de vergunning wegens strijd met redelijke eisen van welstand én het bestemmingsplan. Na ongegrond bezwaar en ongegrond beroep bij de rechtbank stelde appellant hoger beroep in bij de Raad van State.
Beslissing van de rechter
De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt dat de weigering van de omgevingsvergunning op de welstandsgrond stand houdt; dit oordeel alleen al rechtvaardigt de weigering. Op uitdrukkelijk verzoek van appellant gaat de Afdeling desalniettemin ook in op de bestemmingsplangrond, omdat appellant voornemens is een nieuwe aanvraag in te dienen.
Impactscore
LaagDe uitspraak past binnen gevestigde jurisprudentie over de Wabo-weigeringsgronden en het overgangsrecht van de Omgevingswet; de toegevoegde waarde zit vooral in de pragmatische ten-overvloede-beoordeling, maar er worden geen nieuwe rechtsnormen gesteld.
Belangrijkste punten
- 1Overgangsrecht Omgevingswet: omdat de aanvraag dateert van 11 april 2022 (vóór 1 januari 2024), blijft de Wabo van toepassing tot het besluit onherroepelijk is.
- 2De weigering is gebaseerd op twee zelfstandige gronden ex artikel 2.10, eerste lid, Wabo: strijd met redelijke eisen van welstand én strijd met het bestemmingsplan.
- 3Het welstandsadvies vormt voldoende grondslag voor de welstandsweigering; de rechtbank oordeelde dit al correct.
- 4De Afdeling behandelt de bestemmingsplangrond (artikel 22.2.2 aanhef en onder c planregels) ten overvloede, op uitdrukkelijk verzoek van appellant met het oog op een toekomstige nieuwe aanvraag.
- 5De uitspraak betreft een perceel met een monumentaal tolhuis, wat de welstandstoets extra gewicht geeft.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat één zelfstandige weigeringsgrond onder artikel 2.10 Wabo voldoende is om een omgevingsvergunning te weigeren, en dat overige gronden dan niet meer tot vernietiging kunnen leiden. Opmerkelijk is dat de Afdeling bereid is ten overvloede ook de andere weigeringsgrond te beoordelen wanneer de aanvrager aantoonbaar belang heeft bij duidelijkheid voor een nieuwe aanvraag.
Praktische impact
Appellant kan met de inhoudelijke overweging over het bestemmingsplan rekening houden bij het formuleren van een eventuele nieuwe bouwaanvraag, waardoor onnodige nieuwe procedures mogelijk worden voorkomen.
Onderwerp-impact
Voor omgevingsvergunningaanvragen nabij monumenten onderstreept deze uitspraak het belang van een vroegtijdige welstandstoets; een negatief welstandsadvies is in de praktijk moeilijk te overwinnen zonder wezenlijke aanpassing van het bouwplan.
Samenvatting
Deze zaak betreft een bewoner van een perceel aan de [locatie] in Zwolle, waarop naast een monumentaal tolhuis een schuurwoning staat. Op 11 april 2022 diende hij een aanvraag in voor een omgevingsvergunning om een uitbouw te realiseren aan de rechterzijde van de schuurwoning. Het college van burgemeester en wethouders weigerde de vergunning op 5 juli 2022 op twee zelfstandige gronden: strijd met redelijke eisen van welstand (artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, Wabo) en strijd met het bestemmingsplan 'Stadshagen I'. Na ongegrond bezwaar en ongegrond beroep bij de rechtbank, stelde appellant hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De centrale juridische vragen zijn of het welstandsadvies voldoende grondslag biedt voor de weigering en of het bouwplan in strijd is met artikel 22.2.2, aanhef en onder c, van de planregels. De Afdeling bevestigt het oordeel van de rechtbank dat het college zich op het negatieve welstandsadvies mocht baseren. Omdat de welstandsgrond de weigering zelfstandig draagt, kan de hogerberoepsgrond over het bestemmingsplan de aangevallen uitspraak hoe dan ook niet redden. Toch gaat de Afdeling op uitdrukkelijk verzoek van appellant wél in op de bestemmingsplangrond, omdat appellant ter zitting heeft verklaard een nieuwe omgevingsvergunning te willen aanvragen. De Afdeling acht dit praktisch gerechtvaardigd om appellant houvast te bieden voor zijn toekomstige aanvraag. Voor het overgangsrecht geldt dat, nu de aanvraag dateert van vóór 1 januari 2024, de Wabo van toepassing blijft totdat het besluit onherroepelijk is, conform artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet. De uitspraak illustreert hoe de Afdeling bereid is pragmatisch buiten de strikte omvang van het geding te treden wanneer daarvoor een gerechtvaardigd processueel belang bestaat.