JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:4107Laag28/100

Minister veroordeeld in proceskosten na overschrijding beslistermijn asiel

ECLI:NL:RVS:2026:4107, Raad van State, 15-07-2026, 202407575/1/V1

Raad van StateUitspraak: 15 juli 2026Publicatie: 15 juli 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:202407575/1/V1
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Vreemdelingenrecht
Overheid
Vergunningen
Beslistermijn
Proceskosten
Asielaanvraag
Wbv 2023 3
Beroep Van Rechtswege

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Verzoeker heeft het hoger beroep op 9 juli 2026 ingetrokken en gelijktijdig een verzoek gedaan om de minister krachtens artikel 8:75 van de Awb in de proceskosten te veroordelen. Daarvoor kan aanleiding bestaan als de minister van Asiel en Migratie aan verzoeker is tegemoetgekomen of als het belang bij een uitspraak op het hoger beroep anderszins door toedoen van de minister is vervallen (uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1855, onder 2.1).

Kern van de zaak

Een asielzoeker trok zijn hoger beroep in nadat de minister alsnog een besluit nam op zijn asielaanvraag, en verzocht de minister te veroordelen in de proceskosten. Het hoger beroep betrof de rechtmatigheid van de verlengde beslistermijn in asielzaken op grond van WBV 2023/3.

Beslissing van de rechter

De Raad van State veroordeelt de minister van Asiel en Migratie in de proceskosten (€ 467,00) en verwijst het beroep van rechtswege naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam. Doorslaggevend is dat de minister, ongeacht de rechtmatigheid van de verlengde beslistermijn, ook de maximale beslistermijn van vijftien maanden heeft overschreden, waardoor aanleiding bestaat voor proceskostenveroordeling.

28van 100

Impactscore

Laag

Het betreft een enkelvoudige proceskostenbeslissing na intrekking van hoger beroep in een individuele asielzaak; de rechtsvraag over WBV 2023/3 is al beantwoord door het HvJ en de Afdeling past slechts de gangbare procesrechtelijke regels toe zonder nieuwe rechtsnormen te stellen.

Belangrijkste punten

  • 1Hoger beroep ingetrokken na besluit minister op 29 juni 2026; proceskostenveroordeling gevraagd op grond van artikel 8:75 Awb
  • 2HvJ-arrest Safita (5 maart 2026, C-2026:160) beantwoordde prejudiciële vragen over rechtmatigheid verlenging beslistermijn met WBV 2023/3
  • 3Ongeacht rechtmatigheid verlenging beslistermijn: minister heeft ook de termijn van vijftien maanden overschreden, hetgeen de proceskostenveroordeling rechtvaardigt
  • 4Wegingsfactor 0,5 toegepast omdat het hoger beroep uitsluitend over het niet tijdig beslissen ging (één punt voor hogerberoepschrift)
  • 5Beroep van rechtswege ontstaan tegen het inhoudelijke besluit van 29 juni 2026 (art. 6:20 lid 3 jo. art. 6:24 Awb); doorgestuurd naar rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt dat een overschrijding van de maximale beslistermijn van vijftien maanden in asielzaken zelfstandig grond oplevert voor proceskostenveroordeling, los van de vraag of een kortere verlenging op grond van WBV 2023/3 rechtmatig was. Tevens illustreert de zaak de werking van het beroep van rechtswege na intrekking van een hoger beroep.

Praktische impact

Asielzoekers van wie de beslistermijn is overschreden kunnen ook na intrekking van hun hoger beroep aanspraak maken op proceskostenvergoeding, mits de minister als veroorzaker van het vervallen belang kan worden aangewezen. De minister draagt de kosten van de rechtsbijstand (€ 467,00).

Onderwerp-impact

In asielzaken met toepassing van WBV 2023/3 biedt het HvJ-arrest Safita nu het juridische kader voor de beoordeling van de rechtmatigheid van beslistermijnverlengingen, maar de praktische afwikkeling van individuele zaken kan ook op de zelfstandige grond van termijnoverschrijding worden beslecht.

Samenvatting

In deze zaak had een asielzoeker hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over de rechtmatigheid van de verlengde beslistermijn in zijn asielaanvraag, gebaseerd op WBV 2023/3. De centrale rechtsvraag over die verlenging lag eerder voor bij het Hof van Justitie van de EU, dat op 5 maart 2026 arrest wees in de zaak Safita. Voordat de Afdeling inhoudelijk uitspraak deed, nam de minister op 29 juni 2026 alsnog een besluit op de asielaanvraag. Verzoeker trok hierop op 9 juli 2026 zijn hoger beroep in en verzocht gelijktijdig om proceskostenveroordeling van de minister op grond van artikel 8:75 Awb. De Afdeling overweegt dat een proceskostenveroordeling aan de orde kan zijn als de minister aan verzoeker tegemoet is gekomen of als het belang bij een uitspraak anderszins door toedoen van de minister is vervallen. In dit geval staat vast dat de minister, ongeacht de vraag of de beslistermijnverlenging met WBV 2023/3 rechtmatig was, ook de maximale beslistermijn van vijftien maanden heeft overschreden. Dat levert zelfstandig aanleiding op om de minister in de proceskosten te veroordelen. De Afdeling kent één procespunt toe voor het hogerberoepschrift en past wegingsfactor 0,5 toe, omdat het hoger beroep uitsluitend over het niet tijdig beslissen ging. De toe te kennen vergoeding bedraagt € 467,00. Daarnaast stelt de Afdeling vast dat door de werking van artikel 6:20 lid 3 jo. artikel 6:24 Awb van rechtswege een beroep is ontstaan tegen het inhoudelijke besluit van 29 juni 2026. Omdat dit beroep bij de rechtbank thuis hoort en de Afdeling als hogerberoepsrechter geen eerste aanleg verzorgt, wordt het beroep verwezen naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam. De uitspraak is een routinematige toepassing van vaste procesrechtelijke regels in asielzaken.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 24 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5339Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5339, Raad van State, 09-09-2026, 202500974/1/R3

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5326Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5326, Raad van State, 09-09-2026, 202505339/1/R3

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5361Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5361, Raad van State, 09-09-2026, 202503177/1/R1

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5354Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5354, Raad van State, 09-09-2026, 202406781/1/A3

Raad van State9 sep 2026OverheidVergunningen
18/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied