Hoger beroep ongegrond: onvoldoende bestaansmiddelen voor verblijfsrecht
ECLI:NL:RVS:2026:4102, Raad van State, 17-07-2026, BRS.25.000536
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 15 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid vastgesteld dat appellant geen verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan in Nederland meer heeft.
Kern van de zaak
Een appellant (vertegenwoordigd door een advocaat in Hilversum) ging in hoger beroep tegen een beslissing van de minister die zijn verblijfsrecht weigerde. Hij stelde dat bepaalde inkomsten ten onrechte waren uitgesloten bij de beoordeling van zijn bestaansmiddelen onder de Verblijfsrichtlijn. Hij beriep zich op het Bajratari-arrest van het Hof van Justitie.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank is bevestigd. Doorslaggevend is dat appellant, zelfs als de omstreden inkomsten wél hadden moeten worden meegenomen, aantoonbaar onvoldoende bestaansmiddelen heeft: hij is gestopt met het verkopen van de straatkrant en zijn enige inkomsten zijn een Participatiewet-uitkering.
Impactscore
LaagDe Afdeling beslist uitdrukkelijk niet op de principiële Bajratari-vraag en past een verkorte motivering toe; er worden geen nieuwe rechtsregels gesteld en de uitkomst is sterk feitelijk bepaald.
Belangrijkste punten
- 1De vraag of de minister inkomsten zonder belasting- en premieafdracht mocht uitsluiten als bestaansmiddelen (conform Bajratari, HvJ 2 oktober 2019) kon in het midden worden gelaten.
- 2Appellants situatie is hoe dan ook onvoldoende: hij ontvangt uitsluitend een Participatiewet-uitkering en is gestopt met straatkrantverkoop.
- 3De Afdeling ziet geen aanleiding prejudiciële vragen te stellen, mede op basis van Cilfit, Consorzio Italian Management en Remling.
- 4Artikel 91, tweede lid, Vw 2000 laat verkorte motivering toe nu geen vragen spelen die de rechtseenheid of -ontwikkeling raken.
- 5De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevat geen nieuwe rechtsregels; de Afdeling vermijdt bewust een inhoudelijk oordeel over de Bajratari-kwestie door te beslissen op feitelijke gronden. De verkorte motivering op grond van artikel 91 lid 2 Vw 2000 bevestigt de bestaande praktijk.
Praktische impact
Appellant verliest zijn hoger beroep en behoudt geen verblijfsrecht op grond van de Verblijfsrichtlijn; zijn afhankelijkheid van de Participatiewet staat aan een geslaagd beroep op voldoende bestaansmiddelen in de weg.
Onderwerp-impact
Voor vreemdelingen die verblijfsrecht ontlenen aan EU-recht en deels informele of onbelaste inkomsten hebben, biedt deze uitspraak geen duidelijkheid: de Bajratari-vraag blijft onbeantwoord.
Samenvatting
In deze zaak stelde een vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen de weigering van de minister om hem verblijfsrecht toe te kennen op grond van de Verblijfsrichtlijn. Kernpunt van zijn betoog was dat de minister ten onrechte inkomsten had uitgesloten waarover geen belastingen en premies waren afgedragen, bij de beoordeling of hij over 'voldoende bestaansmiddelen' beschikt in de zin van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verblijfsrichtlijn. Hij beriep zich daartoe op het arrest Bajratari van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 2 oktober 2019. De Afdeling overweegt dat zij de principiële vraag over de uitleg van het begrip 'voldoende bestaansmiddelen' in het licht van Bajratari in het midden kan laten. De reden is eenvoudig: ook als de minister die inkomsten wél had moeten meewegen, is niet gebleken dat appellant over voldoende bestaansmiddelen beschikt om te voorkomen dat hij een beroep doet op het socialebijstandsstelsel. Appellant is immers gestopt met het verkopen van de straatkrant — zijn enige economische activiteit die aanleiding gaf tot de Bajratari-discussie — en zijn huidige inkomsten bestaan uitsluitend uit een Participatiewet-uitkering. Daarmee staat feitelijk vast dat hij niet aan de middeleneis voldoet. Nu beantwoording van de rechtsvraag niet noodzakelijk is voor de beslechting van het geschil, bestaat op grond van de Cilfit-doctrine en de arresten Consorzio Italian Management en Remling evenmin aanleiding prejudiciële vragen te stellen. De Afdeling maakt gebruik van de verkorte motiveringsmogelijkheid van artikel 91, tweede lid, Vw 2000, omdat er geen vragen spelen die in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling beantwoord moeten worden. Het hoger beroep is ongegrond en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.