Grensdetentie Schiphol rechtmatig verklaard door Raad van State
ECLI:NL:RVS:2026:4098, Raad van State, 15-07-2026, 202500758/1/V3
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluiten van 10 januari 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie betrokkene de toegang tot Nederland geweigerd en hem een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Kern van de zaak
Een Iraanse vreemdeling werd na aankomst op Schiphol in grensdetentie geplaatst in het Justitieel Complex Schiphol. De rechtbank oordeelde dat dit complex geen gespecialiseerde bewaringsaccommodatie is in de zin van de Opvangrichtlijn en de detentie onrechtmatig is. De minister ging in hoger beroep tegen dit oordeel.
Beslissing van de rechter
De Raad van State verklaart het hoger beroep van de minister gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond. Doorslaggevend is de eerdere jurisprudentie van de Afdeling (januari en februari 2025) waaruit volgt dat het Justitieel Complex Schiphol wél als gespecialiseerde bewaringsaccommodatie kwalificeert, waardoor de grensdetentie rechtmatig is. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
Impactscore
MiddelDe uitspraak bevestigt bestaande jurisprudentie van de Afdeling zonder nieuwe rechtsnormen te stellen, maar heeft praktische betekenis voor een groot aantal vergelijkbare grensdetentiezaken op Schiphol. De uitkomst is voorspelbaar gezien de eerdere precedenten.
Belangrijkste punten
- 1Het Justitieel Complex Schiphol kwalificeert als gespecialiseerde bewaringsaccommodatie in de zin van artikel 10, eerste lid, van de Opvangrichtlijn, conform eerdere RvS-uitspraken van 29 januari en 26 februari 2025.
- 2De Afdeling ziet geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen over de kwalificatie van het Justitieel Complex Schiphol, mede gelet op de verwijzingsuitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 maart 2025.
- 3De minister had een terugkeerbesluit genomen en een aanvullend terugkeerbesluit waarin Turkije als alternatief terugkeerland is aangewezen op basis van een 'removal order' onder het Verdrag van Chicago.
- 4De vreemdeling betwistte de bruikbaarheid van het Verdrag van Chicago als grondslag voor gedwongen terugkeer naar een doorreisland, maar de Afdeling verwees naar haar uitspraak van 10 juli 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:40...).
- 5Nu geen grond bestaat voor onrechtmatigheid van de grensdetentie, wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen en hoeft de minister geen proceskosten te vergoeden.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn van de Afdeling dat het Justitieel Complex Schiphol voldoet aan de eisen van de Opvangrichtlijn en sluit daarmee een veelgebruikt beroepsargument in grensdetentiezaken af. De verwijzing naar lopende prejudiciële procedures toont dat dit vraagstuk Europees nog niet definitief is beslecht.
Praktische impact
Voor vreemdelingen in grensdetentie op Schiphol biedt de rechtbank-route via de kwalificatie van het complex vooralsnog geen soelaas. De minister kan grensdetentie in het Justitieel Complex Schiphol blijven toepassen zonder verplichting tot schadevergoeding.
Onderwerp-impact
In het vreemdelingenrechtelijk domein bevestigt deze uitspraak de rechtmatigheid van grensdetentie op Schiphol en de toepassing van removal orders op basis van het Verdrag van Chicago als instrument voor terugkeer naar doorreislanden.
Samenvatting
Een Iraanse vreemdeling reisde per vliegtuig vanuit Turkije naar Schiphol, waarna de minister een terugkeerbesluit uitvaardigde en hem in grensdetentie plaatste in het Justitieel Complex Schiphol. De rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, oordeelde op 5 februari 2025 dat dit complex niet als gespecialiseerde bewaringsaccommodatie in de zin van artikel 10, eerste lid, van de Opvangrichtlijn kan worden aangemerkt, en verklaarde de grensdetentie onrechtmatig. De minister stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De centrale juridische vraag was of het Justitieel Complex Schiphol voldoet aan de kwalificatievereisten van de Opvangrichtlijn voor gespecialiseerde bewaringsaccommodaties, en daarnaast of het Verdrag van Chicago als 'andere regeling' in de zin van artikel 3, derde lid, van de Terugkeerrichtlijn kan dienen als grondslag voor gedwongen terugkeer naar Turkije als doorreisland. De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond en vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Zij verwijst naar haar eigen uitspraken van 29 januari 2025 en 26 februari 2025, waarin zij reeds heeft geoordeeld dat het Justitieel Complex Schiphol wél kwalificeert als gespecialiseerde bewaringsaccommodatie. De Afdeling ziet geen aanleiding om hierover prejudiciële vragen te stellen, hoewel zij erkent dat er een verwijzingsuitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 maart 2025 ligt. Ten aanzien van de removal order op grond van het Verdrag van Chicago verwijst de Afdeling naar haar uitspraak van 10 juli 2026. Nu geen enkele door de vreemdeling aangevoerde grond de grensdetentie onrechtmatig maakt, wordt het beroep alsnog ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.