JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:4092Middel35/100

Bewaring artikel 59b Vw telt niet mee voor maximale bewaringsduur

ECLI:NL:RVS:2026:4092, Raad van State, 16-07-2026, BRS.26.002939

Raad van StateUitspraak: 16 juli 2026Publicatie: 14 juli 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:BRS.26.002939
Bestuursrecht
Europees bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Overheid
Handhaving
Terugkeerrichtlijn
Dublin Verordening
Vreemdelingenbewaring
Prejudiciele Vragen
Bewaringsduur

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 13 mei 2026 heeft de minister van Asiel en migratie appellant in bewaring gesteld.

Kern van de zaak

Een vreemdeling in bewaring stelde in hoger beroep dat de periode van bewaring op grond van artikel 59b Vw 2000 (bewaring ter fine van overdracht) meegerekend moet worden bij de maximale bewaringsduur van artikel 59 Vw 2000 (bewaring ter fine van uitzetting). Hij beriep zich daartoe op een recent arrest van het Hof van Justitie.

Beslissing van de rechter

Het hoger beroep is ongegrond en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Doorslaggevend is dat het ingeroepen HvJ-arrest Aroja alleen betrekking heeft op bewaring ter uitvoering van een terugkeerbesluit op grond van artikel 15 Terugkeerrichtlijn, en dat bewaring op grond van artikel 59b Vw 2000 daar niet onder valt.

35van 100

Impactscore

Middel

De uitspraak bevestigt bestaande rechtspraak en stelt geen nieuwe rechtsregels, maar heeft praktische relevantie voor een structureel terugkerende rechtsvraag in het vreemdelingenbewaringsrecht. De verwijzing naar het recente Aroja-arrest geeft de uitspraak enige actualiteitswaarde.

Belangrijkste punten

  • 1Bewaring op grond van artikel 59b Vw 2000 (overdracht/Dublin) valt buiten de reikwijdte van artikel 15 Terugkeerrichtlijn en telt niet mee voor de maximale bewaringsduur van artikel 59 Vw 2000.
  • 2Het HvJ-arrest Aroja (5 maart 2026, C-148/26) biedt geen steun voor de stelling van appellant: punt 73 ziet uitsluitend op bewaring ter uitvoering van een terugkeerbesluit.
  • 3De Afdeling vindt bevestiging in het oudere arrest Kadzoev (HvJ 30 november 2009, C-357/09 PPU), punten 40-48.
  • 4Geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen, nu de rechtsvraag afdoende beantwoord kan worden aan de hand van bestaande HvJ-rechtspraak (acte éclairé-doctrine).
  • 5Ambtshalve toetsing levert evenmin een grond op om de bewaring onrechtmatig te achten.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak verduidelijkt dat de cumulatieregels voor bewaringsduur strikt worden uitgelegd: verschillende grondslagen voor vreemdelingenbewaring worden niet samengeteld. De verwijzing naar Aroja en Kadzoev consolideert de bestaande lijn in het vreemdelingenbewaringsrecht.

Praktische impact

Vreemdelingen die eerst op grond van artikel 59b Vw 2000 in bewaring hebben gezeten, kunnen die periode niet inbrengen om een eerder einde van een opvolgende bewaring op grond van artikel 59 Vw 2000 te bewerkstelligen.

Onderwerp-impact

Voor de overheidsuitvoeringspraktijk rondom Dublin-overdrachten en terugkeer bevestigt de uitspraak dat de maximale bewaringsduur per grondslag afzonderlijk wordt berekend, wat de uitvoerbaarheid van opeenvolgende bewaring vergroot.

Samenvatting

In deze zaak stelde een vreemdeling in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat de periode van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000 — de zogeheten Dublinfase — zou moeten worden meegerekend bij de maximale bewaringsduur als bedoeld in artikel 59, vijfde en zesde lid, van diezelfde wet. De vreemdeling beriep zich daartoe op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 maart 2026 in de zaak Aroja. De Afdeling verwerpt dit betoog. Zij overweegt dat het Aroja-arrest (punt 73) uitsluitend betrekking heeft op perioden van bewaring die zijn opgelegd op grond van artikel 15 van de Terugkeerrichtlijn, ter uitvoering van een terugkeerbesluit. Bewaring op grond van artikel 59b Vw 2000 heeft een andere juridische grondslag — namelijk de Dublinverordening — en valt daar dus niet onder. De Afdeling vindt steun voor dit oordeel in het arrest Kadzoev (HvJ 30 november 2009), waarin het Hof al onderscheid maakte tussen verschillende bewaringsregimes. Nu de rechtsvraag afdoende beantwoord kan worden met bestaande Unierechtelijke rechtspraak, ziet de Afdeling geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie, overeenkomstig de acte éclairé-doctrine zoals neergelegd in Cilfit, Consorzio Italian Management en het recente arrest Remling. Ambtshalve toetsing van de bewaring levert evenmin een grond op om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak bevestigt de bestaande praktijk dat bewaringsduren per wettelijke grondslag afzonderlijk worden berekend en niet worden gecumuleerd.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 24 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak
35van 100
MiddelLees toelichting ↓

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5339Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5339, Raad van State, 09-09-2026, 202500974/1/R3

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5326Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5326, Raad van State, 09-09-2026, 202505339/1/R3

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5361Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5361, Raad van State, 09-09-2026, 202503177/1/R1

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5354Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5354, Raad van State, 09-09-2026, 202406781/1/A3

Raad van State9 sep 2026OverheidVergunningen
18/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied