Raad van State: bewaring Unieburger op grond van nationale terugkeerregels toegestaan
ECLI:NL:RVS:2026:4074, Raad van State, 16-07-2026, BRS.26.002132
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 12 maart 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.
Kern van de zaak
Een Unieburger werd op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet 2000 in vreemdelingenbewaring gesteld. Hij stelde in hoger beroep dat deze nationale bepaling, bedoeld voor terugkeer van derdelanders, niet op hem als burger van de Unie mag worden toegepast. De zaak draait om de vraag of nationale implementatieregels van de Terugkeerrichtlijn analoog op Unieburgers mogen worden toegepast.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond; de bewaring van de Unieburger op grond van artikel 59 Vw 2000 is rechtmatig. Doorslaggevend is dat het Hof van Justitie in het arrest Ordre des barreaux (2021) heeft aanvaard dat lidstaten nationale terugkeerregels op Unieburgers mogen toepassen, mits die regels niet ongunstiger zijn dan voor derdelanders en voldoen aan de Unierechtelijke vrijheid van verkeer en verblijf.
Impactscore
MiddelDe uitspraak consolideert bestaande rechtspraak en voegt geen fundamenteel nieuwe rechtsregel toe, maar is relevant omdat zij de Remling-doctrine van 2026 verankert en de Cilfit-uitzondering op prejudiciële verwijzing toepast in een actuele vreemdelingenbewaring-context.
Belangrijkste punten
- 1Nationale regels ter implementatie van de Terugkeerrichtlijn mogen analoog worden toegepast op Unieburgers die onderworpen zijn aan een verwijderingsbesluit ex artikel 15 Verblijfsrichtlijn.
- 2Voorwaarden voor toelaatbaarheid: de regels moeten in overeenstemming zijn met de Terugkeerrichtlijn, niet ongunstiger dan voor derdelanders, en in lijn met artikelen 20 en 21 VWEU en de Verblijfsrichtlijn.
- 3De Afdeling verwijst naar haar eerdere uitspraak van 23 februari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:562) als vaste lijn.
- 4Geen aanleiding voor prejudiciële vragen nu het Hof van Justitie de rechtsvraag reeds heeft beantwoord (Cilfit-doctrine, bevestigd in Remling 2026).
- 5De overige grieven worden verworpen zonder nadere motivering op grond van artikel 91 lid 2 Vw 2000 (geen belang voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming).
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn van de Afdeling dat bewaring van Unieburgers via nationale terugkeerregels Unierechtelijk toelaatbaar is, en sluit het debat over prejudiciële verwijzing op dit punt vooralsnog af met verwijzing naar het Remling-arrest van 2026.
Praktische impact
Unieburgers tegen wie een verwijderingsbesluit is genomen kunnen op grond van de reguliere vreemdelingenbewaring worden vastgehouden; zij kunnen niet succesvol betogen dat deze bevoegdheid juridisch ontbreekt zolang de nationale regels aan de Unierechtelijke vereisten voldoen.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenrechtelijke praktijk betekent dit dat de inbewaringstellingsbevoegdheid jegens Unieburgers op dezelfde wettelijke grondslag als voor derdelanders kan worden gebaseerd, wat de uitvoerbaarheid van het terugkeerbeleid versterkt.
Samenvatting
In deze zaak stelde de Raad van State de vraag centraal of een burger van de Europese Unie op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 in bewaring kan worden gesteld. Deze bepaling vloeit voort uit de nationale implementatie van de Terugkeerrichtlijn, die in beginsel gericht is op derdelanders. Appellant betoogde dat toepassing van deze grondslag op een Unieburger in strijd is met het Unierecht, in het bijzonder met de Verblijfsrichtlijn en de vrijheid van verkeer en verblijf zoals neergelegd in artikelen 20 en 21 VWEU. De Afdeling beantwoordt deze vraag ontkennend. Zij sluit aan bij het arrest van het Hof van Justitie van 22 juni 2021 in de zaak Ordre des barreaux francophones et germanophone (C-718/19), waarin het Hof oordeelde dat lidstaten bij gebreke van een specifieke Unierechtelijke regeling in de Verblijfsrichtlijn nationale terugkeerregels analoog op Unieburgers mogen toepassen. Daarvoor gelden drie cumulatieve voorwaarden: de nationale regels moeten in overeenstemming zijn met de Terugkeerrichtlijn, niet ongunstiger zijn dan de regeling voor derdelanders, en voldoen aan de Unierechtelijke bepalingen over vrijheid van verkeer en verblijf. De Afdeling acht aan deze voorwaarden voldaan en verwijst naar haar eerdere uitspraak van 23 februari 2022. Nu de rechtsvraag reeds door het Hof van Justitie is beantwoord, bestaat geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen. De Afdeling baseert dit op de Cilfit-doctrine en verwijst daarbij ook naar het recentere arrest Remling van 24 maart 2026. De overige grieven worden zonder nadere motivering verworpen op grond van artikel 91, tweede lid, Vw 2000. Het hoger beroep is ongegrond en de inbewaringstelling van appellant blijft in stand.