Hoger beroep vreemdeling over verblijfsrecht ongegrond verklaard
ECLI:NL:RVS:2026:4066, Raad van State, 15-07-2026, BRS.26.001112
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 29 februari 2024 heeft de minister van Buitenlandse Zaken een aanvraag om appellant een faciliterend visum te verlenen, afgewezen.
Kern van de zaak
Een vreemdeling (appellant) ging in hoger beroep bij de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank over zijn verblijfsrecht in Nederland. Appellant beriep zich onder meer op artikel 20 VWEU en de Verblijfsrichtlijn. De minister had eerder een negatieve beslissing genomen over het verblijf.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Doorslaggevend is dat appellant geen feiten of omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt die een situatie opleveren als bedoeld in het K.A.-arrest (HvJ 8 mei 2018), en dat de rechtbank reeds deugdelijk had gemotiveerd waarom de opgeworpen vragen over het personele bereik van de Verblijfsrichtlijn niet relevant zijn voor de uitkomst van de zaak.
Impactscore
LaagHet betreft een standaard enkelvoudige kamer-afdoening met verkorte motivering op basis van bestaande jurisprudentie; er worden geen nieuwe rechtsvragen gesteld of beantwoord en de uitspraak heeft geen precedentwaarde buiten deze individuele zaak.
Belangrijkste punten
- 1Appellant slaagt er niet in aannemelijk te maken dat zijn situatie valt onder het K.A.-arrest (HvJ EU C:2018:308) inzake artikel 20 VWEU
- 2De Afdeling neemt de motivering van de rechtbank (overwegingen 9-13) integraal over
- 3Op grond van artikel 91 lid 2 Vw 2000 behoeft het oordeel geen nadere motivering, nu het hogerberoepschrift geen vragen stelt van algemeen belang
- 4De vraag over het personele bereik van de Verblijfsrichtlijn behoeft geen beantwoording voor de oplossing van deze zaak (verwijzing naar arrest Remling, HvJ EU C:2026:243)
- 5De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak past de verkorte motiveringsplicht van artikel 91 lid 2 Vw 2000 toe en bevestigt de bestaande lijn dat beroep op artikel 20 VWEU enkel slaagt bij concrete onderbouwing van de K.A.-criteria. Er worden geen nieuwe rechtsvragen beantwoord.
Praktische impact
Appellant verkrijgt geen verblijfsrecht en dient Nederland te verlaten; er wordt geen proceskosten vergoeding toegekend, zodat appellant ook de eigen advocaatkosten draagt.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenzaken bevestigt deze uitspraak dat een beroep op Unierechtelijk verblijfsrecht via artikel 20 VWEU zonder concrete feitelijke onderbouwing kansloos is, en dat de verkorte afdoening ex artikel 91 lid 2 Vw 2000 ook bij Unierechtelijke gronden kan worden toegepast.
Samenvatting
In deze vreemdelingenzaak heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 15 juli 2026 het hoger beroep van appellant ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Appellant, bijgestaan door een advocaat, had hoger beroep ingesteld tegen een negatieve verblijfsrechtelijke beslissing van de minister. In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn situatie valt onder de reikwijdte van artikel 20 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU), zoals uitgelegd door het Hof van Justitie in het arrest K.A. van 8 mei 2018. Op grond van dat arrest kan een derdelander in bepaalde gevallen een afgeleid verblijfsrecht ontlenen aan het Unieburgerschap van een gezinslid, indien de betrokkene anders feitelijk genoodzaakt zou zijn de Unie te verlaten. De Afdeling oordeelde echter dat appellant geen feiten of omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt waaruit een dergelijke situatie blijkt, zodat het beroep op artikel 20 VWEU faalt. Verder had appellant vragen opgeworpen over het personele bereik van de Verblijfsrichtlijn, maar de Afdeling overweegt — onder verwijzing naar het arrest Remling van het Hof van Justitie van 24 maart 2026 — dat beantwoording van deze vraag niet nodig is voor de oplossing van de zaak, nu de rechtbank dit reeds in haar motivering (overwegingen 9 tot en met 13) had vastgesteld. De Afdeling past de verkorte motiveringsregel van artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 toe: omdat het hogerberoepschrift geen vragen oproept die in het belang van de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, volstaat een beknoptere motivering. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is van beperkte juridische importantie en heeft geen richtinggevend karakter.