JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:4045Middel38/100

Minister wint hoger beroep over toetsingsmoment artikel 8 EVRM

ECLI:NL:RVS:2026:4045, Raad van State, 15-07-2026, BRS.25.000944

Raad van StateUitspraak: 15 juli 2026Publicatie: 10 juli 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:BRS.25.000944
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Mensenrechten
Arbeidsrelaties
Overheid
Verblijfsvergunning
Artikel 8 Evrm
Gezinsleven
Toetsingsmoment
Vreemdelingen

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 15 december 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de moeder om wijziging van de beperking van een aan haar verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, afgewezen.

Kern van de zaak

Een moeder en haar jongste kinderen vroegen verblijfsvergunningen aan in Nederland. De rechtbank oordeelde dat de minister artikel 8 EVRM (familie- en gezinsleven met de oudste dochter) had moeten betrekken bij zijn besluit, maar de minister ging hiertegen in hoger beroep omdat de relevante feiten pas later ontstonden.

Beslissing van de rechter

De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart het hoger beroep van de minister gegrond en het incidenteel hoger beroep van betrokkenen ongegrond; het beroep wordt alsnog ongegrond verklaard. Doorslaggevend is dat de rechtbank het besluit op bezwaar had moeten toetsen aan de feiten op de datum van dat besluit (30 oktober 2024), terwijl de gestelde inmenging in het familie- en gezinsleven pas later kon ontstaan (na verlening van een verblijfsvergunning aan de oudste dochter per 5 februari 2025).

38van 100

Impactscore

Middel

De uitspraak bevestigt bestaande rechtspraak over het toetsingsmoment en voegt geen nieuwe rechtsregel toe, maar is relevant voor de praktijk van vreemdelingenzaken met gespreid verkrijgen van verblijfsrechten binnen een gezin.

Belangrijkste punten

  • 1Het toetsingsmoment bij beoordeling van een besluit op bezwaar is de datum van dat besluit (30 oktober 2024), niet een latere datum.
  • 2De inmenging in het familie- en gezinsleven ex artikel 8 EVRM kon pas na het bestreden besluit ontstaan, omdat de oudste dochter haar verblijfsvergunning pas op 28 april 2025 (met ingang van 5 februari 2025) verkreeg.
  • 3De minister moet bij de economische belangen-afweging wel rekening houden met individuele omstandigheden van betrokkenen (vaste rechtspraak Afdeling).
  • 4Het incidenteel hoger beroep over de privéleven-afweging faalt; de Afdeling acht de ministeriele afweging niet onjuist.
  • 5De uitspraak sluit aan bij eerdere Afdelingsuitspraken van 4 december 2024 en 27 mei 2026 over het toetsingsmoment en de economische belangen-afweging.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt en verduidelijkt de vaste lijn dat besluiten op bezwaar worden getoetst aan de feiten ten tijde van dat besluit, en dat feiten die pas later optreden niet bij die toetsing kunnen worden betrokken. Dit heeft directe gevolgen voor de wijze waarop rechters artikel 8 EVRM-verweren in vreemdelingenzaken in de tijd moeten plaatsen.

Praktische impact

Betrokkenen (moeder en jongste kinderen) zien hun beroep alsnog ongegrond verklaard; hun verblijfsrechtelijke positie wordt niet verbeterd door deze procedure. Een nieuw beroep op artikel 8 EVRM op grond van de inmiddels verleende verblijfsvergunning aan de oudste dochter kan eventueel in een nieuwe aanvraagprocedure aan de orde komen.

Onderwerp-impact

In vreemdelingenzaken waarbij familieleden op verschillende momenten verblijfsrecht verkrijgen, zal het toetsingsmoment van het besluit op bezwaar doorslaggevend blijven; artikel 8 EVRM-grondslagen die pas na dat besluit ontstaan, kunnen niet met terugwerkende kracht in die procedure worden ingebracht.

Samenvatting

In deze zaak draait het om de aanvraag voor een verblijfsvergunning van een moeder en haar jongste kinderen in Nederland. De minister wees de aanvraag af en handhaafde dit bij besluit op bezwaar van 30 oktober 2024. De rechtbank Den Haag (zittingsplaats Zwolle) oordeelde dat de minister had moeten beoordelen of uitzetting een inmenging in het familie- en gezinsleven met de oudste dochter van de moeder zou opleveren in strijd met artikel 8 EVRM. De minister ging hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling stelt de minister in het gelijk. Het centrale juridische punt is het toetsingsmoment: een besluit op bezwaar moet worden beoordeeld aan de hand van de feiten zoals die golden op de datum van dat besluit. Op 30 oktober 2024 bestond de gestelde gezinssituatie met de oudste dochter in Nederland echter nog niet, omdat zij pas op 28 april 2025 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verkreeg, met ingang van de datum van haar aanvraag (5 februari 2025). De inmenging in het gezinsleven kon zich dus pas ná het bestreden besluit voordoen en behoefde de minister bij dat besluit niet te betrekken. De rechtbank had dit miskend. Betrokkenen stelden incidenteel hoger beroep in en betoogden dat de minister bij de afweging tussen hun privélevenbelangen en het Nederlandse toelatingsbelang onvoldoende rekening had gehouden met hun individuele omstandigheden. De Afdeling verwerpt dit betoog. Hoewel de minister bij de economische belangen-afweging individuele omstandigheden moet meewegen, blijkt uit de besluitvorming voldoende dat dit is geschied. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, verklaart het hoger beroep van de minister gegrond, het incidenteel hoger beroep ongegrond, en het beroep van betrokkenen alsnog ongegrond. De uitspraak bevestigt de vaste lijn in het vreemdelingenrecht over het toetsingsmoment bij bezwaarbesluiten.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 23 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak
38van 100
MiddelLees toelichting ↓

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5339Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5339, Raad van State, 09-09-2026, 202500974/1/R3

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5326Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5326, Raad van State, 09-09-2026, 202505339/1/R3

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5361Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5361, Raad van State, 09-09-2026, 202503177/1/R1

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5354Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5354, Raad van State, 09-09-2026, 202406781/1/A3

Raad van State9 sep 2026OverheidVergunningen
18/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied