Dublinbewaring geldig zonder refoulementbeoordeling voor overdrachtsbesluit
ECLI:NL:RVS:2026:4034, Raad van State, 14-07-2026, BRS.26.003058
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij uitspraak van 12 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Kern van de zaak
Een vreemdeling is door de minister in bewaring gesteld op grond van artikel 59a Vw 2000 (Dublinbewaring). De vreemdeling bestrijdt in hoger beroep dat de minister geen refoulementbeoordeling heeft gemaakt bij het opleggen van de maatregel. De rechtbank wees het beroep af, waarop hoger beroep volgde bij de Raad van State.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank is bevestigd. De doorslaggevende reden is dat de minister bij het opleggen van een Dublinbewaringsmaatregel geen refoulementbeoordeling hoeft te maken zolang nog geen overdrachtsbesluit is genomen, conform de eerdere uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:3387).
Impactscore
MiddelDe uitspraak is een bevestiging van een recentelijk gevestigde lijn en heeft geen zelfstandige rechtsontwikkelende waarde, maar is praktisch relevant voor de Dublinbewaringspraktijk en de rechtsbescherming van vreemdelingen.
Belangrijkste punten
- 1Bij Dublinbewaring ex artikel 59a Vw 2000 is geen refoulementbeoordeling vereist indien nog geen overdrachtsbesluit is genomen.
- 2De Afdeling verwijst naar haar eerdere uitspraak van 12 juni 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:3387) als maatgevend precedent.
- 3De Afdeling ziet geen aanleiding om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen.
- 4Ambtshalve zijn geen gronden gevonden om de bewaring onrechtmatig te achten.
- 5De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de lijn uit ECLI:NL:RVS:2026:3387 dat een refoulementbeoordeling bij Dublinbewaring pas aan de orde komt bij het overdrachtsbesluit, niet reeds bij de bewaringsmaatregel zelf. Dit bakent de reikwijdte van de bewaargrond van artikel 59a Vw 2000 nader af.
Praktische impact
Vreemdelingen in Dublinbewaring kunnen de rechtmatigheid van de maatregel niet succesvol aanvechten met een beroep op ontbrekende refoulementbeoordeling zolang er nog geen overdrachtsbesluit is genomen. De minister behoudt daarmee ruimte om bewaring op te leggen in een vroeg stadium van de Dublinprocedure.
Onderwerp-impact
Voor de vreemdelingenrechtpraktijk verduidelijkt deze uitspraak het procedurele moment waarop refoulementsrisico's formeel moeten worden beoordeeld, wat relevant is voor de rechtsbescherming van asielzoekers in Dublinsituaties.
Samenvatting
In deze zaak heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan in hoger beroep over de rechtmatigheid van een Dublinbewaringsmaatregel opgelegd door de minister op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000. De vreemdeling was in bewaring gesteld in het kader van een Dublinprocedure, waarbij nog geen overdrachtsbesluit was genomen. In hoger beroep voerde appellant aan dat de minister bij het opleggen van de bewaringsmaatregel ten onrechte geen refoulementbeoordeling had gemaakt. De rechtbank had dit betoog reeds verworpen. De Afdeling verwerpt de grief en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Daartoe verwijst zij naar haar uitspraak van 12 juni 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:3387), waarin is geoordeeld dat een refoulementbeoordeling bij Dublinbewaring niet is vereist indien op het moment van het opleggen van de maatregel nog geen overdrachtsbesluit is genomen. Dat was ook in de onderhavige zaak het geval. De minister hoeft derhalve op dat moment niet te toetsen of overdracht in strijd zou zijn met het non-refoulementbeginsel; die beoordeling komt pas later, bij het overdrachtsbesluit zelf, aan de orde. De Afdeling ziet evenmin aanleiding om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, zoals zij in de eerdergenoemde uitspraak van 12 juni 2026 onder 1.4 reeds heeft toegelicht. Ook ambtshalve worden geen gronden gevonden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de minister behoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak consolideert daarmee de door de Afdeling ingezette lijn over het temporele toepassingsbereik van de refoulementtoets in Dublinbewaringszaken.