JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:4028Middel58/100

Raad van State: grensdetentie Iraniër rechtmatig op Schiphol

ECLI:NL:RVS:2026:4028, Raad van State, 10-07-2026, 202501011/1/V3

Raad van StateUitspraak: 10 juli 2026Publicatie: 10 juli 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:202501011/1/V3
Bestuursrecht
Europees bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Overheid
Handhaving
Transport
Schiphol
Terugkeerrichtlijn
Grensdetentie
Asielaanvraag
Removal Order

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 31 december 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie betrokkene een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Deze uitspraak gaat over de vraag of de verplichting die op basis van de removal order op de luchtvaartmaatschappij rust om betrokkene terug te vervoeren naar een plaats buiten Nederland, voldoende is om Turkije op grond van artikel 3, derde lid, tweede streepje, van de Terugkeerrichtlijn aan te merken als land van doorreis en bijgevolg als land van terugkeer in het aanvullend terugkeerbesluit.

Kern van de zaak

Een Iraanse vreemdeling reisde zonder geldig reisdocument vanuit Turkije naar Schiphol en werd in grensdetentie geplaatst. Na afwijzing van zijn asielaanvraag volgde een aanvullend terugkeerbesluit naar Iran of Turkije. In geschil was of de op de luchtvaartmaatschappij rustende removal order voldoende grondslag biedt om Turkije als land van doorreis en daarmee als terugkeerland aan te merken.

Beslissing van de rechter

De Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag en verklaart de beroepen ongegrond. Doorslaggevend is dat de removal order op de luchtvaartmaatschappij een voldoende juridische basis vormt om Turkije als land van doorreis in de zin van artikel 3, derde lid, tweede streepje, van de Terugkeerrichtlijn aan te merken, zodat het aanvullend terugkeerbesluit en de grensdetentie rechtmatig zijn.

58van 100

Impactscore

Middel

De uitspraak van de Raad van State geeft een concrete uitleg aan de Terugkeerrichtlijn in de context van grensdetentie en removal orders, wat relevant is voor de dagelijkse uitvoeringspraktijk, maar stelt geen fundamenteel nieuwe rechtsregel vast.

Belangrijkste punten

  • 1De vreemdeling reisde zonder geldig reisdocument per vliegtuig vanuit Turkije naar Nederland en werd bij aankomst op Schiphol de toegang geweigerd.
  • 2Na afwijzing van de asielaanvraag werd betrokkene in grensdetentie geplaatst op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, jo. zesde lid, Vw 2000.
  • 3Centrale rechtsvraag: is een removal order jegens de vervoerende luchtvaartmaatschappij voldoende om Turkije te kwalificeren als 'land van doorreis' ex artikel 3, derde lid, tweede streepje, Terugkeerrichtlijn.
  • 4De Raad van State beantwoordt deze vraag bevestigend en oordeelt dat het aanvullend terugkeerbesluit naar Iran of Turkije rechtmatig is.
  • 5Het verzoek om schadevergoeding wegens onrechtmatige detentie wordt afgewezen; de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak verduidelijkt dat een removal order aan een luchtvaartmaatschappij voldoende is om een doorreisland als terugkeerland te kwalificeren in de zin van de Terugkeerrichtlijn, wat van belang is voor de toepassing van het terugkeerbeleid bij grensdetentie.

Praktische impact

Vreemdelingen die zonder geldig reisdocument via een derde land naar Nederland vliegen, kunnen op basis van de removal order naar dat doorreisland worden teruggestuurd; de grensdetentie op Schiphol blijft in dergelijke gevallen rechtmatig.

Onderwerp-impact

Voor de uitvoeringspraktijk bij Schiphol bevestigt dit oordeel dat de combinatie van grensdetentie en een removal order een sluitend juridisch instrumentarium vormt bij asielzoekers die zonder documenten arriveren.

Samenvatting

Een Iraanse man reisde op 24 oktober 2024 zonder geldig reisdocument vanuit Turkije naar Schiphol. De Koninklijke Marechaussee weigerde hem de toegang en gaf de vervoerende luchtvaartmaatschappij een removal order om hem terug te vervoeren naar een plaats buiten Nederland. Omdat betrokkene een asielaanvraag indiende, werd de toegangsbeslissing uitgesteld en werd hij in grensdetentie geplaatst. Na afwijzing van zijn asielaanvraag – welke afwijzing in beroep in stand bleef – werd hij opnieuw in grensdetentie geplaatst en volgde een aanvullend terugkeerbesluit waarbij de minister bepaalde dat betrokkene naar Iran of Turkije moest terugkeren. De juridische kernvraag was of de verplichting die op grond van de removal order op de luchtvaartmaatschappij rust om betrokkene terug te vervoeren, voldoende is om Turkije te kwalificeren als 'land van doorreis' in de zin van artikel 3, derde lid, tweede streepje, van de Terugkeerrichtlijn, en daarmee als geldig land van terugkeer in het aanvullend terugkeerbesluit. De rechtbank Den Haag had in eerste aanleg geoordeeld dat de grensdetentie onrechtmatig was, maar de Raad van State vernietigt die uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de removal order jegens de luchtvaartmaatschappij wél een afdoende juridische basis vormt om Turkije als doorreisland aan te merken. De verplichting voor de luchtvaartmaatschappij om betrokkene terug te vervoeren, creëert een rechtens relevante verbinding tussen de vreemdeling en Turkije als doorreisland, zodat dit land in het aanvullend terugkeerbesluit als bestemming kan worden opgenomen. Daarmee zijn zowel het terugkeerbesluit als de grensdetentie rechtmatig. Het verzoek om schadevergoeding wegens onrechtmatige detentie wordt afgewezen en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak bevestigt en verduidelijkt de juridische werking van removal orders in het kader van het Nederlandse en Europese terugkeerrecht.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 8 september 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak
58van 100
MiddelLees toelichting ↓

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5339Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5339, Raad van State, 09-09-2026, 202500974/1/R3

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5326Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5326, Raad van State, 09-09-2026, 202505339/1/R3

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5361Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5361, Raad van State, 09-09-2026, 202503177/1/R1

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5354Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5354, Raad van State, 09-09-2026, 202406781/1/A3

Raad van State9 sep 2026OverheidVergunningen
18/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied