Raad van State kent schadevergoeding toe wegens overschrijding redelijke termijn
ECLI:NL:RVS:2026:3934, Raad van State, 15-07-2026, 202304005/1/R4
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 26 november 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht [appellant] onder oplegging van een dwangsom van € 30.000,00 gelast om uiterlijk drie maanden na de verzenddatum van het besluit de mandelige keldermuur, grenzend aan huisnummer [locatie 1], in het pand [locatie 2] te Utrecht permanent te (laten) herstellen en hersteld te (laten) houden. [appellant] is eigenaar van het pand [locatie 2] in Utrecht, dat grenst aan het pand [locatie 1] dat in eigendom is van [partij A] en [partij B]. In de afgelopen jaren is een juridische strijd ontstaan tussen de eigenaren en de gemeente en de eigenaren onderling. De oorsprong van dit conflict ligt voornamelijk in de bouwkundige staat van de panden en het daaruit voorvloeiende handhavend optreden door het college door middel van het opleggen van diverse lasten met betrekking tot de keldermuur tussen [locatie 2] en [locatie 1], en de door [appellant] gesloopte achtergevel van [locatie 2]. Naast deze procedure loopt er een grote hoeveelheid andere, veelal door [appellant] gestarte, procedures tussen de bij deze zaak betrokken partijen.
Kern van de zaak
Eigenaar van pand in Utrecht vecht jarenlang handhavingsbesluiten aan van de gemeente, opgelegd in 2018 en 2019 wegens gebreken aan keldermuur en gesloopte achtergevel. De zaak sleept zodanig lang dat de redelijke termijn wordt overschreden.
Beslissing van de rechter
De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank, verklaart het beroep tegen het besluit van 17 maart 2025 ongegrond, maar wijst het verzoek om schadevergoeding toe. Het college van Utrecht wordt veroordeeld tot betaling van € 2.660,- en de Staat tot € 840,- wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Impactscore
LaagDe uitspraak past vaste jurisprudentie toe omtrent redelijke termijn en overgangsrecht Omgevingswet zonder nieuwe rechtsregels te stellen; de impact is beperkt tot de betrokken partijen.
Belangrijkste punten
- 1Op de handhavingsbesluiten uit 2018 en 2019 blijft het oude recht (Bouwbesluit 2012 en Woningwet) van toepassing op grond van het overgangsrecht van de Invoeringswet Omgevingswet.
- 2De Omgevingswet is op 1 januari 2024 in werking getreden, maar artikel 4.23 Invoeringswet Omgevingswet borgt continuïteit voor vóór die datum opgelegde sancties.
- 3Het beroep tegen het besluit van 17 maart 2025 wordt ongegrond verklaard; de handhaving door de gemeente wordt rechtmatig geoordeeld.
- 4De schadevergoeding wordt gesplitst tussen gemeente (€ 2.660,-) en Staat (€ 840,-), conform de vaste verdeling bij overschrijding van de redelijke termijn.
- 5De zaak maakt deel uit van een reeks procedures tussen appellant, de buurpandeigenaren en de gemeente over de bouwkundige staat van aangrenzende panden.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de toepassing van het overgangsrecht onder de Invoeringswet Omgevingswet voor vóór 2024 opgelegde bestuurlijke sancties. De schadevergoedingsveroordeling wegens termijnoverschrijding volgt vaste jurisprudentie over verdeling tussen bestuursorgaan en Staat.
Praktische impact
Appellant ontvangt in totaal € 3.500,- schadevergoeding wegens de buitensporig lange duur van de procedure, maar de handhavingsbesluiten van de gemeente blijven in stand en moeten worden nagekomen.
Onderwerp-impact
In handhavingszaken op het gebied van bouw en ruimtelijke ordening benadrukt deze uitspraak dat langlopende procedures kunnen leiden tot schadevergoeding, ongeacht de uitkomst ten gronde.
Samenvatting
Deze uitspraak van de Raad van State betreft een jarenlang conflict tussen de eigenaar van een pand aan de [locatie 2] in Utrecht en de gemeente, met als inzet handhavingsbesluiten die het college in 2018 en 2019 oplegde vanwege gebreken aan de keldermuur en een door appellant gesloopte achtergevel. De gemeente legde lasten onder dwangsom en lasten onder bestuursdwang op, waartegen appellant uitgebreide juridische procedures startte. De centrale juridische vragen betroffen de rechtmatigheid van de handhavingsbesluiten en de toepasselijkheid van het oude dan wel nieuwe recht na de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024. De Raad van State stelt vast dat op grond van artikel 4.23 van de Invoeringswet Omgevingswet het Bouwbesluit 2012 en de Woningwet van toepassing blijven op de vóór 2024 opgelegde sancties. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en het beroep tegen het nadere besluit van 17 maart 2025 wordt ongegrond verklaard: de handhaving door de gemeente wordt rechtmatig geoordeeld. Wel honoreert de Raad van State het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De schadevergoeding wordt conform vaste jurisprudentie verdeeld: het college van burgemeester en wethouders van Utrecht betaalt € 2.660,- en de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) betaalt € 840,-. In totaal ontvangt appellant € 3.500,-. De uitspraak illustreert dat de overstap naar de Omgevingswet geen gevolgen heeft voor lopende handhavingstrajecten die vóór de inwerkingtreding zijn gestart, en dat langdurige bestuursprocesrechtelijke procedures kunnen resulteren in een compensatie wegens termijnoverschrijding, ook als het inhoudelijke beroep ongegrond is.