JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:392Laag12/100

Hoger beroep vreemdelingenzaak niet-ontvankelijk wegens motiveringsgebrek

ECLI:NL:RVS:2026:392, Raad van State, 26-01-2026, BRS.25.002704

Raad van StateUitspraak: 26 januari 2026Publicatie: 22 januari 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:BRS.25.002704
Bestuursprocesrecht
Vreemdelingenrecht
Overheid
Hoger Beroep
Niet Ontvankelijk
Artikel 85 Vw2000
Vreemdelingenzaak
Grievenplicht

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 16 december 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.

Kern van de zaak

Appellant heeft hoger beroep ingesteld bij de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank in een vreemdelingenzaak. De appellant, bijgestaan door een advocaat, heeft echter nagelaten te onderbouwen waarom de rechtbankuitspraak onjuist zou zijn. De minister was de verwerende partij.

Beslissing van de rechter

Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard. De doorslaggevende reden is dat appellant niet heeft uitgelegd waarom de uitspraak van de rechtbank onjuist is, wat op grond van artikel 85 Vw 2000 een vereiste is voor ontvankelijkheid van het hoger beroep.

12van 100

Impactscore

Laag

Het betreft een procedurele, niet-inhoudelijke afdoening op basis van vaste rechtspraak over artikel 85 Vw 2000, zonder nieuwe rechtsvragen of richtinggevende overwegingen.

Belangrijkste punten

  • 1Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van grieven tegen de rechtbankuitspraak (artikel 85 Vw 2000)
  • 2Appellant heeft verzuimd toe te lichten waarom de uitspraak van de rechtbank niet juist is
  • 3De Afdeling kan zonder inhoudelijke grieven geen inhoudelijk oordeel geven
  • 4Geen proceskostenveroordeling opgelegd aan de minister
  • 5Beslissing genomen door enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt de strikte toepassing van artikel 85 Vw 2000, op grond waarvan een hoger beroepschrift in vreemdelingenzaken de grieven moet bevatten; zonder inhoudelijke onderbouwing volgt niet-ontvankelijkheid. Dit is vaste lijn in de rechtspraak van de Afdeling.

Praktische impact

Voor appellant betekent dit dat de rechtbankuitspraak onherroepelijk wordt zonder inhoudelijke herbeoordeling. Advocaten in vreemdelingenzaken worden herinnerd aan de verplichting om concrete grieven te formuleren in het hoger beroepschrift.

Onderwerp-impact

In vreemdelingenprocedures benadrukt deze uitspraak het belang van tijdige en inhoudelijk gemotiveerde hoger beroepschriften; een formeel gebrek leidt zonder meer tot niet-ontvankelijkheid.

Samenvatting

In deze uitspraak van 26 januari 2026 verklaart de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het hoger beroep van appellant niet-ontvankelijk in een vreemdelingenzaak. Appellant had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank, daarbij bijgestaan door een advocaat te Breda. De kern van de zaak is echter niet inhoudelijk beoordeeld, omdat appellant heeft nagelaten te onderbouwen waarom de uitspraak van de rechtbank onjuist zou zijn. Artikel 85 van de Vreemdelingenwet 2000 stelt als formele eis dat een hoger beroepschrift de grieven bevat: een of meer concrete bezwaren tegen de redenering of beslissing van de rechtbank. Omdat appellant dit volledig achterwege heeft gelaten, ontbreekt de inhoudelijke grondslag voor beoordeling door de Afdeling. De Afdeling overweegt expliciet dat zij zonder dergelijke toelichting geen inhoudelijk oordeel kan geven, en verklaart het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk. Een proceskostenveroordeling wordt niet uitgesproken; de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De beslissing is genomen door een enkelvoudige kamer. Deze uitspraak is een routinematige, procedurele afdoening en bevestigt de vaste lijn in de Afdelingsjurisprudentie over de grievenplicht in vreemdelingenrechtelijke hoger beroepszaken. Voor de betrokken appellant heeft de uitspraak vergaande gevolgen: de rechtbankuitspraak wordt hiermee onherroepelijk. De uitspraak onderstreept het belang voor rechtspraktijkbeoefenaren om in hoger beroepschriften altijd concrete en inhoudelijke grieven te formuleren, ook wanneer de inzet van de zaak voor de cliënt groot is.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 4 augustus 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:CBB:2026:362Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:CBB:2026:362, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 04-08-2026, 23/1947

College van Beroep voor het bedrijfsleven4 aug 2026HandhavingTransport
28/100Bekijk
ECLI:NL:CBB:2026:360Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:CBB:2026:360, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 04-08-2026, 24/738

College van Beroep voor het bedrijfsleven4 aug 2026OverheidHandhaving
18/100Bekijk
ECLI:NL:CBB:2026:361Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:CBB:2026:361, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 04-08-2026, 24/79

College van Beroep voor het bedrijfsleven4 aug 2026OverheidHandhaving
28/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:4425Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4425, Raad van State, 29-07-2026, 202505838/1/A3

Raad van State29 jul 2026OverheidHandhaving
28/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied

Onderwerpen