Raad van State: wil tot gezinsband vereist bij nareis-mvv
ECLI:NL:RVS:2026:3831, Raad van State, 03-07-2026, BRS.25.001301
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 15 juni 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om de echtgenote van appellant een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Kern van de zaak
Een Syrische vluchteling diende een mvv-aanvraag in voor zijn echtgenote in het kader van nareis. De minister wees de aanvraag af omdat de feitelijke gezinsband niet aannemelijk was gemaakt: het echtpaar had nauwelijks samengewoond en elkaar slechts vijf keer gezien. Appellant bestrijdt deze afwijzing via bezwaar, beroep en hoger beroep.
Beslissing van de rechter
De Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond en vernietigt zowel de uitspraak van de rechtbank als het besluit van de minister. Doorslaggevend is dat de minister bij de beoordeling van de feitelijke gezinsband ook had moeten betrekken of op de peildatum de wil bestond om die band te onderhouden, en een volledige individuele afweging had moeten maken.
Impactscore
HoogDe Raad van State introduceert een verplicht wilscriterium bij de beoordeling van feitelijke gezinsbanden in nareis-zaken, wat structurele gevolgen heeft voor de besluitvormingspraktijk van de minister en een groot aantal vergelijkbare zaken raakt.
Belangrijkste punten
- 1Bij beoordeling van een feitelijke gezinsband in nareis-zaken moet de minister ook de wil tot het onderhouden van die band op de peildatum meenemen.
- 2De minister dient alle relevante feiten en omstandigheden van het individuele geval te betrekken en een op het geval toegespitste beoordeling te maken.
- 3Het enkele feit dat echtgenoten niet hebben samengewoond of elkaar weinig hebben gezien, is op zichzelf niet voldoende om de feitelijke gezinsband te ontkennen.
- 4De Afdeling betrekt de per 12 juni 2026 gewijzigde nareis-regelgeving niet bij deze zaak, nu getoetst wordt naar het recht ten tijde van het besluit op bezwaar.
- 5De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 2.802,00 en moet het griffierecht terugbetalen.
Impactanalyse
Juridische impact
Deze uitspraak verduidelijkt dat de beoordeling van de feitelijke gezinsband bij nareis-mvv-aanvragen een volledige individuele toetsing vereist, waarbij de wilscomponent een zelfstandig en verplicht beoordelingscriterium vormt. Bestuursorganen kunnen niet volstaan met uitsluitend objectieve gedragsfactoren zoals samenwoning of contactfrequentie.
Praktische impact
Vreemdelingen die nareis aanvragen voor een echtgenoot met wie de relatie feitelijk nog weinig gestalte had gekregen vóór vertrek, krijgen hiermee meer ruimte om aan te tonen dat de wil tot gezinshereniging en gezinsband aanwezig is. De minister zal in toekomstige gevallen uitgebreider moeten motiveren waarom de wilscomponent ontbreekt.
Onderwerp-impact
Voor nareis- en gezinsmigratiebeleid betekent deze uitspraak dat een zorgvuldiger en meer op het individu gerichte besluitvorming is vereist bij recent gesloten huwelijken waarbij de gezinsband nog in opbouw was ten tijde van het vertrek van de referent.
Samenvatting
In deze zaak had appellant op 8 juli 2022 een mvv-aanvraag in het kader van nareis ingediend voor zijn echtgenote, met wie hij op 12 juli 2021 in Jordanië was getrouwd. De minister erkende de huwelijksakte als bewijs van de familierechtelijke relatie, maar wees de aanvraag af omdat de feitelijke gezinsband niet aannemelijk was gemaakt. De peildatum was 6 november 2021, de datum waarop appellant Nederland inreisde. Op die datum had het echtpaar niet samengewoond en hadden zij elkaar slechts vijf keer ontmoet. Bovendien was appellant reeds een maand na de verloving vertrokken, zonder dat de minister daarvoor een noodzaak aanwezig achtte. De rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, had het beroep eerder ongegrond verklaard. De centrale rechtsvraag was of de minister de mvv-aanvraag terecht had afgewezen op grond van het ontbreken van een feitelijke gezinsband, en of de beoordeling daarvan toereikend was gemotiveerd en volledig genoeg was. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat de minister bij de beoordeling van de feitelijke gezinsband tussen huwelijkspartners ook had moeten betrekken of op de peildatum de wil bestond om een dergelijke band te onderhouden. Een uitsluitend op gedragsaspecten zoals samenwoning en contactfrequentie gebaseerde beoordeling is onvoldoende. De minister had een op het individuele geval toegespitste afweging moeten maken, waarbij alle relevante feiten en omstandigheden worden meegewogen. Op grond hiervan verklaart de Afdeling het hoger beroep gegrond, vernietigt zij de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 15 oktober 2024, en veroordeelt zij de minister tot vergoeding van proceskosten van € 2.802,00. De minister zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De per 12 juni 2026 gewijzigde nareis-regelgeving blijft buiten beschouwing, nu getoetst wordt naar het recht dat gold ten tijde van het bestreden besluit.