Reductie zegendagen IJsselmeer door minister rechtmatig
ECLI:NL:RVS:2026:366, Raad van State, 21-01-2026, 202304593/1/A3
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluiten van 27 oktober 2021 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aan de vissers een vergunning met het zegenrecht, beperkt tot twee zegendagen, voor het visseizoen 2021/2022 verleend. De vissers oefenen op het IJsselmeer beroepsmatig de zegenvisserij op schubvis uit. De zegen is een net waarvan de onderkant is verzwaard en de bovenkant is voorzien van drijvers, met in het midden een verzamelzak. Bij deze vismethode wordt het net uitgevaren, waarna het wordt binnengetrokken en de in het water aanwezige vis wordt ingesloten. Met de zegenbeugel kan de vis uit het net worden verwijderd. Voor het visseizoen 2021/2022 heeft de minister het aantal dagen per zegenrecht gereduceerd van zeven naar twee, omdat het volgens de minister niet goed gaat met het brasembestand op het IJsselmeer. De reductie van het aantal zegendagen is nodig om het brasembestand te beschermen en herstellen met het oog op een duurzame toekomst voor de visserij, aldus de minister. De minister heeft zich voor de reductie gebaseerd op verschillende rapporten van Wageningen Marine Research (hierna: WMR). De vissers zijn het niet eens met de reductie.
Kern van de zaak
Beroepsvissers op het IJsselmeer verzetten zich tegen de ministeriele beslissing om het aantal toegestane zegenvisdagen per zegenrecht te reduceren van zeven naar twee voor visseizoen 2021/2022. De minister baseerde de reductie op rapporten van Wageningen Marine Research over de slechte toestand van het brasembestand. De vissers betwistten de wetenschappelijke onderbouwing van dit besluit.
Beslissing van de rechter
De Raad van State bevestigt het oordeel van de rechtbank dat de minister de reductie van zegendagen deugdelijk heeft gemotiveerd. De minister mocht zich baseren op de WMR-rapporten, nu de vissers geen gelijkwaardig wetenschappelijk tegenonderzoek hebben overgelegd en hun kanttekeningen onvoldoende waren om de rapporten te ontkrachten.
Impactscore
MiddelDe uitspraak heeft beperkte precedentwerking op nationaal niveau omdat zij een sectorspecifieke casus betreft, maar is relevant voor de vissers op het IJsselmeer en vergelijkbare visstandbeheerbesluiten. De bevestiging van de terughoudende rechterlijke toetsing van wetenschappelijke rapporten heeft bredere bestuursrechtelijke relevantie.
Belangrijkste punten
- 1Minister heeft op grond van artikel 29 lid 6 Uitvoeringsregeling visserij bevoegdheid om zegendagen te reduceren vanuit oogpunt van visstandbeheer
- 2Reductie van zeven naar twee zegendagen per zegenrecht voor seizoen 2021/2022 is gebaseerd op WMR-rapporten over slechte staat brasembestand IJsselmeer
- 3Bestuursrechter toetst wetenschappelijke rapporten terughoudend: rapporten zijn voldoende inzichtelijk en conclusies niet onbegrijpelijk
- 4Vissers hebben geen gelijkwaardig wetenschappelijk tegenonderzoek ingebracht; kanttekeningen bij de onderzoeksmethode zijn onvoldoende
- 5Latere rapporten en cijfers brengen geen wijziging in het oordeel over de rechtmatigheid van het besluit
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat bestuursorganen bij visstandbeheer mogen steunen op rapporten van erkende wetenschappelijke instituten, mits de onderbouwing inzichtelijk is. Partijen die bestuursbesluiten op wetenschappelijke basis aanvechten, dragen een zware last om gelijkwaardig tegenonderzoek te overleggen.
Praktische impact
Beroepsvissers op het IJsselmeer dienen de reductie van zegendagen te accepteren en kunnen voor komende seizoenen verwachten dat vergelijkbare beperkingen worden opgelegd zolang het brasembestand niet herstelt.
Onderwerp-impact
Voor de visserijsector bevestigt deze uitspraak dat de overheid ingrijpende vangstbeperkingen kan opleggen op basis van wetenschappelijk visstandonderzoek, wat de duurzaamheidsdoelstellingen in de binnenvissector versterkt.
Samenvatting
Deze zaak betreft beroepsvissers die op het IJsselmeer de zegenvisserij op schubvis uitoefenen en bezwaar maakten tegen een besluit van de minister waarbij het aantal toegestane zegenvisdagen per zegenrecht voor het visseizoen 2021/2022 werd teruggebracht van zeven naar twee. De minister baseerde dit besluit op rapporten van Wageningen Marine Research (WMR), waaruit bleek dat het brasembestand op het IJsselmeer in slechte staat verkeerde. De reductie was bedoeld om het bestand te beschermen en te herstellen met het oog op een duurzame toekomst voor de visserij. De juridische bevoegdheidsgrondslag was artikel 29, zesde lid, van de Uitvoeringsregeling visserij, dat de minister toestaat het aantal zegendagen te reduceren voor zover nodig vanuit het oogpunt van visstandbeheer. De rechtbank had het besluit in stand gelaten en geoordeeld dat de minister de reductie deugdelijk had gemotiveerd. De WMR-rapporten boden een inzichtelijke onderbouwing waarbij de feiten en omstandigheden die aan de conclusies ten grondslag lagen duidelijk waren uiteengezet en de conclusies niet onbegrijpelijk waren. De vissers hadden geen gelijkwaardig wetenschappelijk onderzoek overgelegd dat de WMR-rapporten kon ontkrachten. Hun kanttekeningen bij de gehanteerde onderzoeksmethode werden onvoldoende bevonden om de deugdelijkheid van de rapporten in twijfel te trekken. Ook latere rapporten en cijfers leidden niet tot een ander oordeel. De Raad van State bevestigt dit oordeel in hoger beroep. De uitspraak illustreert de terughoudende rechterlijke toetsing van wetenschappelijk onderbouwde bestuursbesluiten: zolang de gebruikte rapporten inzichtelijk zijn en de conclusies begrijpelijk, mag het bestuursorgaan daarop vertrouwen. Voor partijen die dergelijke besluiten aanvechten, geldt een zware bewijslast om met gelijkwaardig tegenonderzoek te komen.