JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:363Middel38/100

RvS vernietigt dwangsom bij PAS-vergunning intrekkingsverzoek

ECLI:NL:RVS:2026:363, Raad van State, 21-01-2026, 202202980/1/R2

Raad van StateUitspraak: 21 januari 2026Publicatie: 21 januari 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:202202980/1/R2
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Omgevingsrecht
Vergunningen
Handhaving
Milieu
Dwangsom
Pas Vergunning
Stikstof
Natura 2000
Intrekking Vergunning

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 19 december 2019 heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg het verzoek van 17 juli 2019 van MOB en Leefmilieu om de vergunning verleend op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming van 9 mei 2019 verleend aan [vergunninghouder] in te trekken op grond van artikel 5.4, eerste lid en onder c en het tweede lid, van de Wnb, afgewezen. De veehouderij van [vergunninghouder] is gelegen aan [locatie] in Echt. De natuurvergunning van 9 mei 2019 is verleend voor het wijzigen van de exploitatie van de veehouderij. De vergunning maakt het houden van meer en andere soorten vee mogelijk. De natuurvergunning van 9 mei 2019 is verleend op basis van het Programma Aanpak Stikstof. De vergunde activiteiten leiden tot een toename van stikstofdepositie waarvoor ontwikkelingsruimte is toebedeeld op grond van het PAS. MOB en Leefmilieu hebben verzocht om intrekking op grond van artikel 5.4, eerste lid en onder c, van de Wnb, omdat de PAS-vergunning volgens hen is verleend in strijd met wettelijke voorschriften.

Kern van de zaak

Milieuorganisaties MOB en Leefmilieu verzochten in 2019 om intrekking van een PAS-natuurvergunning voor een veehouderij in Echt (Limburg), omdat die vergunning in strijd met de wet zou zijn verleend en stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden veroorzaakt. De rechtbank had eerder een dwangsom vastgesteld wegens het niet tijdig beslissen door het college van GS Limburg.

Beslissing van de rechter

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaart het hoger beroep van het college van GS Limburg gegrond en vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover daarin een dwangsom was vastgesteld en een opdracht was gegeven om opnieuw te beslissen op het intrekkingsverzoek. De doorslaggevende reden is (op basis van beschikbare tekst) dat de rechtbank ten onrechte een dwangsom verbeurde wegens niet-tijdig beslissen en de opdracht tot hernieuwde besluitvorming niet correct was geformuleerd.

38van 100

Impactscore

Middel

De uitspraak heeft procedureel belang in de stikstof/PAS-dossiers en verduidelijkt het overgangsrecht Omgevingswet, maar betreft een zaak-specifieke procedurele correctie zonder fundamentele nieuwe rechtsregel; vergelijkbare uitspraken zijn eerder gedaan in de PAS-reeks.

Belangrijkste punten

  • 1Overgangsrecht: omdat het intrekkingsverzoek vóór 1 januari 2024 is ingediend, blijft de Wet natuurbescherming (oud) van toepassing, niet de Omgevingswet.
  • 2De PAS-vergunning van 9 mei 2019 is verleend op basis van het Programma Aanpak Stikstof, dat later door de Raad van State onverbindend is verklaard.
  • 3MOB en Leefmilieu baseerden het intrekkingsverzoek op zowel strijd met wettelijke voorschriften (art. 5.4 lid 1 sub c Wnb) als verslechtering van Natura 2000-gebieden (art. 5.4 lid 2 Wnb).
  • 4De Raad van State vernietigt de dwangsom die de rechtbank had opgelegd wegens het niet tijdig nemen van een besluit door GS Limburg.
  • 5De uitspraak betreft een procedureel oordeel over de bevoegdheidsuitoefening en termijnoverschrijding; de inhoudelijke beoordeling van de intrekking lijkt nog niet definitief afgerond.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak verduidelijkt de toepassing van het overgangsrecht bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor lopende PAS-intrekkingsverzoeken en corrigeert de rechtbank op het punt van de dwangsom bij niet-tijdig beslissen. Dit heeft betekenis voor de reeks vergelijkbare PAS-intrekkingsprocedures die nog bij bestuursorganen en rechters lopen.

Praktische impact

Voor GS Limburg vervalt de dwangsom en de opgelegde beslistermijn van de rechtbank; het college krijgt meer ruimte om de besluitvorming over de intrekking van de PAS-vergunning opnieuw vorm te geven. Voor de veehouder in Echt betekent dit voorlopig dat de vergunning niet op korte termijn door een rechterlijk bevel wordt ingetrokken.

Onderwerp-impact

In de bredere stikstofproblematiek bevestigt deze uitspraak dat PAS-vergunninghouders niet op stel en sprong hun vergunning verliezen via een dwangsomtraject, maar dat intrekkingsprocedures zorgvuldig en met inachtneming van het juiste overgangsrecht moeten verlopen.

Samenvatting

Deze uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 januari 2026 betreft een hoger beroepszaak over de weigering dan wel het uitblijven van een besluit op een verzoek tot intrekking van een PAS-natuurvergunning voor een veehouderij in Echt, provincie Limburg. De milieuorganisaties MOB en Leefmilieu dienden in juli 2019 een verzoek in bij het college van gedeputeerde staten van Limburg om de in mei 2019 verleende PAS-vergunning in te trekken. Zij stelden enerzijds dat de vergunning in strijd met wettelijke voorschriften was verleend (artikel 5.4 lid 1 sub c Wnb), en anderzijds dat de vergunde stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden zoals het Roerdal, Geuldal en de Groote Peel tot verslechtering kon leiden (artikel 5.4 lid 2 Wnb). De rechtbank had in eerste aanleg een dwangsom vastgesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar, en het college opgedragen binnen acht weken een nieuw besluit te nemen. Een eerste procedurele kwestie die de Afdeling moest beantwoorden, betrof het toepasselijke recht: nu het intrekkingsverzoek vóór 1 januari 2024 was ingediend, blijft op grond van het overgangsrecht van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet de oude Wet natuurbescherming van toepassing. De Afdeling verklaart het hoger beroep van GS Limburg gegrond en vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover daarin de dwangsom was vastgesteld en de opdracht tot hernieuwde besluitvorming was gegeven. De precieze inhoudelijke motivering is op basis van de beschikbare tekst beperkt zichtbaar, maar de kern is dat de rechtbank op deze procedurele punten onjuist heeft geoordeeld. De uitspraak is relevant voor de vele nog lopende PAS-intrekkingsprocedures en illustreert dat dergelijke zaken ook procedureel complex blijven, zeker nu de Omgevingswet het overgangsrechtelijk kader verder compliceert.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 13 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak
38van 100
MiddelLees toelichting ↓

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:HR:2026:1245Richtinggevend
Bestuursrecht
Belastingrecht

ECLI:NL:HR:2026:1245, Hoge Raad, 10-07-2026, 25/00155

Hoge Raad10 jul 2026OverheidHandhaving
72/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1275Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1275, Hoge Raad, 10-07-2026, 26/01234

Hoge Raad10 jul 2026OverheidArbeidsrelaties
28/100Bekijk
ECLI:NL:RBDHA:2026:19357Laag
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:19357, Rechtbank Den Haag, 10-07-2026, NL25.56506

Rechtbank Den Haag10 jul 2026OverheidAansprakelijkheid
28/100Bekijk
ECLI:NL:RBDHA:2026:19268Laag
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:19268, Rechtbank Den Haag, 09-07-2026, NL24.21094 en NL24.21095

Rechtbank Den Haag9 jul 2026OverheidZorg
28/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied