Bibob-weigering omgevingsvergunning in hoger beroep bevestigd
ECLI:NL:RVS:2026:3347, Raad van State, 10-06-2026, 202301184/1/A3
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 5 juli 2022 heeft het college van Gedeputeerde Staten de aanvraag van [appellante] van een omgevingsvergunning afgewezen. [appellante] heeft op 13 november 2020 een vergunning aangevraagd op grond van de destijds geldende Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) voor het bouwen van een bouwwerk, het verrichten van werk of werkzaamheden, het handelen in strijd met het bestemmingsplan en het veranderen van een inrichting en handelingen met gevolgen voor Natura 2000-gebieden. Het college heeft naar aanleiding van deze aanvraag een onderzoek gestart als bedoeld in de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob). Het college heeft het Landelijk Bureau Bibob (LBB) om een advies gevraagd. Het LBB heeft een advies uitgebracht op 31 januari 2022. Het college heeft op basis van dit advies de aanvraag van [appellante] afgewezen, omdat volgens het college ernstig gevaar bestaat dat de aangevraagde vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen (artikel 3, eerste lid, onder b, van de Wet Bibob; de b-grond). De rechtbank is het college hierin gevolgd.
Kern van de zaak
Appellante vroeg in 2020 een omgevingsvergunning aan voor bouwen en Natura 2000-handelingen. Het college weigerde de vergunning op grond van ernstig gevaar voor misbruik (Wet Bibob, b-grond), na advies van het Landelijk Bureau Bibob. Appellante ging in beroep en vervolgens in hoger beroep bij de Raad van State.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard; de Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Doorslaggevend is dat appellante geen nieuwe argumenten heeft aangedragen die de gemotiveerde beoordeling van de rechtbank onjuist of onvolledig maken, en dat het ernstig gevaar op grond van artikel 3, eerste lid, onder b, Wet Bibob voldoende is onderbouwd.
Impactscore
LaagDe uitspraak bevestigt bestaande jurisprudentie over de Wet Bibob en voegt geen nieuwe rechtsnormen toe; de zaak is sterk feitelijk van aard en heeft beperkte precedentwerking.
Belangrijkste punten
- 1Vergunningaanvraag afgewezen op basis van Bibob b-grond: ernstig gevaar dat vergunning wordt misbruikt voor strafbare feiten
- 2LBB-advies van 31 januari 2022 vormde de basis voor de weigering door het college
- 3Hoger beroep bevatte geen nieuwe gronden ten opzichte van het beroep; herhaling van argumenten volstaat niet
- 4Appellante beriep zich op het ontbreken van relevante antecedenten en een eerder toegewezen waterscapsvergunning, maar dit overtuigde de Afdeling niet
- 5Verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat een LBB-advies op de b-grond van de Wet Bibob een deugdelijke basis vormt voor vergunningweigering en dat louter herhaling van beroepsgronden in hoger beroep onvoldoende is om een andersluidend oordeel te verkrijgen.
Praktische impact
Appellante krijgt de aangevraagde omgevingsvergunning niet en ontvangt geen schadevergoeding; de weigering van het college staat definitief vast.
Onderwerp-impact
Voor aanvragers van omgevingsvergunningen die onderwerp zijn van een Bibob-onderzoek onderstreept deze uitspraak dat een negatief LBB-advies moeilijk te weerleggen is zonder concrete, nieuwe tegenbewijs.
Samenvatting
Deze zaak betreft een hoger beroep bij de Raad van State tegen de weigering van een omgevingsvergunning door het college van burgemeester en wethouders. Appellante had in november 2020 een uitgebreide omgevingsvergunning aangevraagd op grond van de Wabo, onder meer voor bouwen, afwijking van het bestemmingsplan en handelingen met gevolgen voor Natura 2000-gebieden. Naar aanleiding van de aanvraag startte het college een Bibob-onderzoek en vroeg het Landelijk Bureau Bibob om advies. Op basis van het advies van januari 2022 weigerde het college de vergunning, omdat ernstig gevaar bestond dat de vergunning mede zou worden gebruikt om strafbare feiten te plegen (de zogenoemde b-grond van artikel 3, eerste lid, onder b, Wet Bibob). De rechtbank bevestigde dit oordeel in eerste aanleg. In hoger beroep voerde appellante aan dat de vergunning verleend had moeten worden, onder verwijzing naar het ontbreken van relevante antecedenten en een eerder door waterschap Vechtstromen toegewezen vergunning voor handelingen in het watersysteem. De Raad van State stelde echter vast dat deze gronden nagenoeg identiek waren aan de gronden die al in beroep waren aangevoerd. Omdat appellante geen redenen heeft gegeven waarom de gemotiveerde beoordeling van de rechtbank onjuist of onvolledig was, zag de Afdeling geen aanleiding tot een ander oordeel. Tevens wees de Afdeling het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af. De uitspraak bevestigt dat een negatief Bibob-advies van het LBB een stevige juridische basis vormt voor vergunningweigering, en dat een appellant in hoger beroep met concrete, nieuwe argumenten moet komen om de eerdere rechterlijke beoordeling aan te tasten. De zaak heeft beperkte precedentwerking en bevestigt de bestaande praktijk rondom de Wet Bibob.