Raad van State: toevoeging isoleercel ten onrechte geweigerd
ECLI:NL:RVS:2026:3339, Raad van State, 10-06-2026, 202501653/1/A2
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 28 maart 2023 heeft het bestuur van de raad voor rechtsbijstand de aanvraag van [partij] voor een toevoeging afgewezen. [partij] was gedetineerd toen het besluit van 28 maart 2023 werd genomen. Na een incident is hij in een isoleercel geplaatst en kreeg de mededeling dat hij één telefoontje mocht plegen. [partij] ging er vanuit dat (telefonisch) contact met zijn advocaat mogelijk bleef en heeft daarom met zijn partner gebeld. [partij] heeft een toevoeging aangevraagd en gekregen met als rechtsbelang het opkomen tegen het feit dat hij maar één telefoontje mocht plegen en niet met zijn advocaat mocht bellen. Daarnaast heeft hij een toevoeging aangevraagd met als rechtsbelang de plaatsing in een isoleercel. Die aanvraag is afgewezen, omdat volgens de raad dit hetzelfde rechtsbelang is als waarvoor de eerste toevoeging is verleend. Het bezwaar tegen de afwijzing van die aanvraag is om dezelfde reden ongegrond verklaard.
Kern van de zaak
Een gedetineerde werd na een incident in een isoleercel geplaatst en mocht slechts één telefoontje plegen, niet met zijn advocaat. Hij vroeg twee toevoegingen aan: één voor het beperkte telefoneren en één voor de isoceelplaatsing. De Raad voor Rechtsbijstand weigerde de tweede toevoeging omdat dit hetzelfde rechtsbelang zou zijn als de eerste.
Beslissing van de rechter
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond en vernietigt zowel de uitspraak van de rechtbank als het besluit van de Raad voor Rechtsbijstand. De Raad voor Rechtsbijstand moet binnen zes weken een nieuw besluit nemen, omdat de plaatsing in een isoleercel en de beperking van het telefoneren als afzonderlijke rechtsbelangen worden aangemerkt.
Impactscore
MiddelDe uitspraak heeft praktische betekenis voor de toevoegingspraktijk bij detentiekwesties en biedt duidelijkheid over het onderscheid tussen rechtsbelangen, maar betreft een relatief specifiek deelterrein en stelt geen fundamenteel nieuwe rechtsregel.
Belangrijkste punten
- 1De rechtbank verklaarde het beroep van de gedetineerde niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang, maar behandelde het beroep wel met de advocaat als appellant.
- 2De Raad voor Rechtsbijstand beschouwde de isoceelplaatsing en de telefoniebeperking ten onrechte als hetzelfde rechtsbelang.
- 3De Afdeling oordeelt dat sprake is van twee afzonderlijke rechtsbelangen die elk een eigen toevoeging rechtvaardigen.
- 4Een motiveringsgebrek in het bestreden besluit (foutieve verwijzing naar een verlofaanvraag) werd door de rechtbank ten onrechte als onschadelijk aangemerkt.
- 5De Raad voor Rechtsbijstand wordt veroordeeld in de proceskosten en opgedragen een nieuw besluit te nemen.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak verduidelijkt dat feitelijk en juridisch onderscheidbare besluiten in detentie – zoals een isoceelplaatsing versus een telefoniebeperking – als afzonderlijke rechtsbelangen kunnen kwalificeren voor afzonderlijke toevoegingen. Dit beperkt de ruimte van de Raad voor Rechtsbijstand om samenlopende detentiegerelateerde kwesties als één rechtsbelang samen te voegen.
Praktische impact
Gedetineerden en hun advocaten kunnen zich beroepen op deze uitspraak wanneer de Raad voor Rechtsbijstand weigert aparte toevoegingen te verlenen voor onderscheiden besluiten in de penitentiaire sfeer. Advocaten lopen minder risico onbetaald te blijven voor rechtsbijstand bij afzonderlijke detentiemaatregelen.
Onderwerp-impact
Voor de penitentiaire rechtspraktijk bevestigt deze uitspraak dat isoceelplaatsing en beperkingen in communicatierechten zelfstandige rechtsbescherming vereisen, wat de rechtspositie van gedetineerden versterkt.
Samenvatting
Deze zaak draait om een gedetineerde die na een incident in een isoleercel werd geplaatst en van wie de communicatierechten werden beperkt tot één telefoontje. Hij kon daardoor niet met zijn advocaat bellen en koos ervoor zijn partner te bellen. Hij vroeg twee afzonderlijke toevoegingen aan bij de Raad voor Rechtsbijstand: één voor de beperking van zijn telefoneerrecht en één voor de plaatsing in de isoleercel. De Raad voor Rechtsbijstand weigerde de tweede toevoeging omdat beide aanvragen naar zijn oordeel hetzelfde rechtsbelang betroffen. Het bezwaar hiertegen werd ongegrond verklaard. De rechtbank Oost-Brabant verklaarde het beroep van de gedetineerde zelf niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang – de rechtsbijstand was immers al feitelijk verleend – maar behandelde het beroep vervolgens wel met de advocaat als appellant. De rechtbank oordeelde dat er geen motiveringsgebrek was en dat de samenvoeging van rechtsbelangen gerechtvaardigd was. In hoger beroep komt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tot een ander oordeel. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de Raad voor Rechtsbijstand. Kern van het oordeel is dat de isoceelplaatsing en de beperking van het telefoneerrecht twee juridisch te onderscheiden rechtsbelangen vormen, die elk een afzonderlijke toevoeging kunnen rechtvaardigen. De Raad voor Rechtsbijstand heeft dit ten onrechte gelijkgesteld. De Raad voor Rechtsbijstand wordt opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak en wordt veroordeeld in de proceskosten. De uitspraak versterkt de rechtspositie van gedetineerden bij het aanvragen van gefinancierde rechtsbijstand voor afzonderlijke penitentiaire maatregelen.