AP-klachtafwijzing AVG-inzageverzoek door RvS beoordeeld
ECLI:NL:RVS:2026:3333, Raad van State, 10-06-2026, 202501960/1/A3
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 4 augustus 2022 heeft de Autoriteit Persoonsgegevens een door [appellant] op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) ingediende klacht afgewezen. [appellant] heeft op 24 februari 2021 bij de AP een klacht ingediend over [administratiekantoor]. Volgens [appellant] heeft [administratiekantoor] de AVG overtreden door niet te voldoen aan zijn inzageverzoek op grond van artikel 15 van de AVG. De AP heeft bij het besluit van 4 augustus 2022 de klacht afgewezen, omdat om een overtreding te kunnen vaststellen nader onderzoek nodig zou zijn en de klacht niet voldoet aan de prioriteringscriteria voor klachtenonderzoek, zoals opgenomen in de Beleidsregels prioritering klachtenonderzoek AP. Bij het besluit van 27 juni 2023 heeft de AP de afwijzing gehandhaafd. De rechtbank heeft geoordeeld dat de AP redelijkerwijs op basis van een globaal bureauonderzoek heeft kunnen concluderen dat geen overtreding kon worden vastgesteld.
Kern van de zaak
Een appellant diende in 2021 een klacht in bij de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) omdat een administratiekantoor zijn inzageverzoek op grond van artikel 15 AVG niet zou hebben gehonoreerd. De AP wees de klacht af wegens onvoldoende prioriteit en omdat globaal bureauonderzoek geen overtreding had aangetoond. Appellant ging in bezwaar en beroep, en stelt nu in hoger beroep bij de Raad van State dat de AP onvoldoende zorgvuldig heeft onderzocht.
Beslissing van de rechter
De uitspraak is onvolledig weergegeven en bevat geen eindoordeel van de Raad van State; op basis van de beschikbare tekst kan alleen worden vastgesteld dat de rechtbank het AP-besluit had bevestigd. De Raad van State behandelt de hogerberoepsgronden van appellant, maar de definitieve beslissing ontbreekt in de aangeleverde tekst.
Impactscore
MiddelDe zaak betreft een individuele klacht over AVG-inzage en de toepassing van het AP-prioriteringsbeleid; de uitspraak is procedureel en feitelijk van aard zonder fundamentele nieuwe rechtsnorm, maar is wel relevant voor de praktijk van AVG-klachtbehandeling.
Belangrijkste punten
- 1Appellant klaagde bij de AP over schending van het inzagerecht (art. 15 AVG) door een administratiekantoor
- 2AP wees de klacht af op basis van prioriteringsbeleid en globaal bureauonderzoek zonder nader onderzoek te verrichten
- 3De rechtbank bevestigde de afwijzing: het administratiekantoor had verklaard geen persoonsgegevens van appellant te bewaren
- 4In hoger beroep stelt appellant dat de AP het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden en het prioriteringsbeleid onjuist heeft toegepast
- 5Onduidelijk is of het administratiekantoor zakelijke dan wel ook privé-administratie beheerde, wat relevant is voor de omvang van het inzagerecht
Impactanalyse
Juridische impact
De zaak raakt aan de toetsing van de beleidsvrijheid van de AP bij de prioritering van klachtenonderzoek en de vraag hoever de onderzoeksplicht van de AP reikt bij betwiste inzageverzoeken onder de AVG. Het oordeel kan richting geven aan de mate van zorgvuldigheid die van de AP wordt verlangd bij globaal bureauonderzoek.
Praktische impact
Voor betrokkenen die bij de AP klagen over schending van hun inzagerecht, bepaalt deze uitspraak in hoeverre de AP kan volstaan met een summier onderzoek op basis van een verklaring van de verwerkingsverantwoordelijke zonder nader bewijs te verlangen.
Onderwerp-impact
In de context van databescherming en AVG-handhaving verduidelijkt de uitspraak de grenzen van het AP-prioriteringsbeleid en de rechtsbescherming van betrokkenen bij klachten over inzagerechten.
Samenvatting
Een particulier diende in februari 2021 een klacht in bij de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) tegen een administratiekantoor, dat naar zijn oordeel had geweigerd volledig te voldoen aan zijn inzageverzoek op grond van artikel 15 AVG. Het administratiekantoor beriep zich op het retentierecht en stelde geen persoonsgegevens van appellant meer te bewaren. De AP wees de klacht in augustus 2022 af na een globaal bureauonderzoek, omdat nader onderzoek niet in lijn was met haar prioriteringscriteria en geen overtreding kon worden vastgesteld. Na ongegrondverklaring van het bezwaar bevestigde de rechtbank het AP-besluit: de verklaring van het administratiekantoor dat het enkel zakelijke administratie beheerde en geen persoonsgegevens van appellant meer bezat, bood voldoende basis voor de conclusie dat geen overtreding was vastgesteld, en de AP had het prioriteringsbeleid redelijkerwijs mogen toepassen. In hoger beroep bij de Raad van State voert appellant aan dat de AP het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden door klakkeloos de verklaring van het administratiekantoor te accepteren zonder te toetsen of volledig inzage was verleend. Appellant betwist bovendien de kwalificatie van het kantoor als louter zakelijk administrateur, omdat het ook privé-administratie zou hebben gevoerd. Verder stelt appellant dat de ernst van de zaak en de persoonlijke gevolgen voor hem een zwaarwegender onderzoek rechtvaardigden, waardoor toepassing van het prioriteringsbeleid in dit geval onredelijk was. De beschikbare tekst bevat geen eindoordeel van de Raad van State, zodat de definitieve beslissing onbekend is. De zaak illustreert de spanning tussen de discretionaire handhavingsbevoegdheid van de AP en de aanspraken van individuele klagers op effectieve rechtsbescherming bij vermeende schendingen van het AVG-inzagerecht.