JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:3331Middel35/100

RvS vernietigt lasten onder bestuursdwang PMD-afvalinrichtingen Limburg

ECLI:NL:RVS:2026:3331, Raad van State, 10-06-2026, 202303496/1/R4

Raad van StateUitspraak: 10 juni 2026Publicatie: 10 juni 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:202303496/1/R4
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Omgevingsrecht
Handhaving
Vergunningen
Milieu
Omgevingsvergunning
Overgangsrecht Omgevingswet
Last Onder Bestuursdwang
Pmd Afval
Geuremissie

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluiten van 13 augustus 2019 heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg, voor zover van belang, aan [appellant A] als drijver van de inrichtingen aan de [locatie 1] in Brunssum en de [locatie 2] in Roermond (de inrichtingen), onder aanzegging van kostenverhaal een aantal lasten onder bestuursdwang opgelegd. Het college heeft deze besluiten ook aan [appellant B] als eigenaar van de inrichtingen bekend gemaakt. De inrichtingen worden gedreven door [appellant A] op grond van omgevingsvergunningen die bij besluiten van 27 mei 2008 aan een andere drijfster zijn verleend (de vergunningen). [appellant B] is eigenaar van de inrichtingen. In de inrichtingen vindt onder andere opslag plaats van PMD-afval. Dit afval behoort tot de categorie gemengde verpakkingen die in de Europese afvalstoffenlijst (Eural) wordt aangeduid met Euralcode 15 01 06. Volgens het college is binnen de inrichtingen alleen de acceptatie en opslag van niet-geuremitterende afvalstoffen met Euralcode 15 01 06 vergund.

Kern van de zaak

Bedrijf [appellant A] exploiteert inrichtingen voor opslag van PMD-afval (gemengde verpakkingen) op basis van vergunningen uit 2008. Het college van GS Limburg legde in 2019-2020 lasten onder bestuursdwang op omdat toezichthouders bij controles geur waarnamen van het opgeslagen PMD-afval, wat volgens het college buiten de vergunde activiteiten viel (alleen niet-geuremitterend afval vergund). Appellanten bestreden deze handhavingsbesluiten bij de rechtbank en vervolgens in hoger beroep bij de Raad van State.

Beslissing van de rechter

De Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond en vernietigt zowel de uitspraak van de rechtbank Limburg als de onderliggende besluiten van het college van GS Limburg van 3 november 2020. Het college moet nieuwe besluiten nemen, waarbij de doorslaggevende reden voor vernietiging vermoedelijk betrekking heeft op gebreken in de onderbouwing of motivering van de opgelegde lasten onder bestuursdwang.

35van 100

Impactscore

Middel

De uitspraak heeft beperkte precedentwerking omdat zij sterk feitelijk van aard is (reikwijdte specifieke vergunning), maar de overgangsrechtelijke toepassing van de Wabo en de instructie voor nieuwe besluitvorming zijn relevant voor vergelijkbare handhavingszaken in de transitieperiode naar de Omgevingswet.

Belangrijkste punten

  • 1Overgangsrecht Omgevingswet: omdat de lasten onder bestuursdwang vóór 1 januari 2024 zijn opgelegd, blijft de Wabo (oud recht) van toepassing op grond van art. 4.23 lid 1 Invoeringswet Omgevingswet.
  • 2Het college stelde dat alleen niet-geuremitterend PMD-afval (Euralcode 15 01 06) vergund was; toezichthouders constateerden via reukwaarneming dat het aanwezige afval geuremitterend was.
  • 3De Raad van State vernietigt de besluiten van 3 november 2020 en draagt het college op nieuwe besluiten te nemen.
  • 4Rechtsbescherming na nieuwe besluitvorming loopt direct bij de Afdeling bestuursrechtspraak (geen bezwaar- of beroepsfase bij lagere rechter).
  • 5Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van beide appellanten voor de beroeps- en hogerberoepsfase.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak verduidelijkt de toepassing van het overgangsrecht bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor handhavingsbesluiten die vóór 2024 zijn opgelegd, en bevestigt dat de Wabo in dergelijke gevallen onverkort van toepassing blijft. De vernietiging dwingt het college tot een deugdelijk gemotiveerd nieuw besluit over de reikwijdte van de omgevingsvergunning ten aanzien van geuremitterend afval.

Praktische impact

Voor [appellant A] en [appellant B] betekent de uitspraak dat de opgelegde lasten onder bestuursdwang voorlopig van tafel zijn en het college opnieuw moet besluiten, wat hen tijdelijk vrijwaart van handhavingsdruk. Het college dient zijn standpunt over de vergunningsgrenzen beter te onderbouwen voordat nieuwe handhavingsmaatregelen kunnen worden opgelegd.

Onderwerp-impact

Voor de afvalsector benadrukt deze zaak het belang van een nauwkeurige omschrijving van vergunde afvalstromen en de bewijslast bij handhaving op basis van zintuiglijke waarnemingen zoals geurcontroles.

Samenvatting

Deze zaak betreft een handhavingsgeschil tussen het college van gedeputeerde staten van Limburg en de exploitanten van twee inrichtingen voor de opslag van PMD-afval (gemengde verpakkingen, Euralcode 15 01 06). [Appellant A] drijft de inrichtingen op basis van omgevingsvergunningen die in 2008 aan een rechtsvoorgangster zijn verleend; [appellant B] is eigenaar van de locaties. Het college legde in augustus 2019 lasten onder bestuursdwang op, gewijzigd in januari en maart 2020, omdat toezichthouders van de RUD Zuid-Limburg bij meerdere controles door middel van reukwaarneming hadden vastgesteld dat het aanwezige PMD-afval geuremitterend was. Het college stelde dat de vergunningen uitsluitend de opslag van niet-geuremitterend afval met die Euralcode toestonden. De centrale juridische vragen betreffen de reikwijdte van de destijds verleende omgevingsvergunningen en de rechtmatigheid van de opgelegde handhavingsmaatregelen. Een voorvraag betreft het toepasselijke recht: omdat de lasten vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 zijn opgelegd, blijft op grond van artikel 4.23 lid 1 van de Invoeringswet Omgevingswet de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) van toepassing totdat de besluiten onherroepelijk zijn en volledig zijn uitgevoerd of ingetrokken. De rechtbank Limburg verklaarde de beroepen in april 2023 ongegrond. In hoger beroep heeft de Raad van State echter het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en ook de onderliggende besluiten van 3 november 2020 vernietigd. Het college moet nieuwe besluiten nemen. Daartegen staat uitsluitend beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak, zonder tussenkomst van de rechtbank. Tevens is het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van beide appellanten. De uitspraak onderstreept de strikte eisen die gelden voor de motivering van handhavingsbesluiten en de nauwkeurige afbakening van vergunde activiteiten in omgevingsvergunningen.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 15 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak
35van 100
MiddelLees toelichting ↓

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:CBB:2026:324Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:CBB:2026:324, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 14-07-2026, 23/1898

College van Beroep voor het bedrijfsleven14 jul 2026OverheidHandhaving
22/100Bekijk
ECLI:NL:CBB:2026:323Middel
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht

ECLI:NL:CBB:2026:323, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 14-07-2026, 25/232

College van Beroep voor het bedrijfsleven14 jul 2026ZorgHandhaving
38/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1275Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1275, Hoge Raad, 10-07-2026, 26/01234

Hoge Raad10 jul 2026ArbeidsrelatiesOverheid
28/100Bekijk
ECLI:NL:RBDHA:2026:19357Laag
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:19357, Rechtbank Den Haag, 10-07-2026, NL25.56506

Rechtbank Den Haag10 jul 2026OverheidAansprakelijkheid
28/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied