Hoger beroep vreemdelingenzaak ongegrond verklaard door RvS
ECLI:NL:RVS:2026:268, Raad van State, 20-01-2026, BRS.25.001827
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 27 juli 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om appellant een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Kern van de zaak
Een appellant (vertegenwoordigd door een advocaat in Utrecht) stelde hoger beroep in bij de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank in een vreemdelingenzaak. De exacte feiten van de onderliggende zaak zijn niet uit de uitspraak kenbaar; het betreft een vreemdelingenrechtelijke procedure waarbij de minister als verwerende partij optrad.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank is bevestigd. De Raad van State paste artikel 91 lid 2 Vw 2000 toe (verkorte motivering), omdat het hogerberoepschrift geen rechtseenheids- of rechtsontwikkelingsvragen bevatte die nadere motivering vergden.
Impactscore
LaagDe uitspraak is een standaard bevestiging via de verkorte route van artikel 91 lid 2 Vw 2000, zonder inhoudelijke rechtsoverwegingen of precedentwerking; de zaak heeft uitsluitend betekenis voor de direct betrokkene.
Belangrijkste punten
- 1De Raad van State paste de verkorte afdoeningsprocedure van artikel 91 lid 2 Vw 2000 toe.
- 2De rechtbank werd op haar gronden gevolgd; de RvS nam de motivering onder 8.1 en 8.2 van de rechtbankuitspraak integraal over.
- 3Geen proceskosten worden vergoed aan appellant.
- 4De uitspraak is gedaan door een enkelvoudige kamer, wat passend is bij zaken zonder principiële betekenis.
- 5De inhoudelijke gronden van de onderliggende vreemdelingenzaak zijn uit deze uitspraak niet kenbaar.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak heeft geen zelfstandige juridische impact; zij bevestigt slechts de rechtbankuitspraak via de verkorte motiveringsroute van artikel 91 lid 2 Vw 2000 en stelt geen nieuwe rechtsregels.
Praktische impact
Voor appellant betekent de bevestiging dat de eerder door de rechtbank vastgestelde rechtspositie in stand blijft; verdere rechtsmiddelen zijn in beginsel niet meer beschikbaar.
Onderwerp-impact
De uitspraak illustreert het reguliere gebruik van de verkorte afdoeningsprocedure in vreemdelingenzaken, zonder gevolgen voor het bredere vreemdelingenbeleid of de uitvoeringspraktijk.
Samenvatting
Op 20 januari 2026 deed de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak in een hoger beroepsprocedure op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Appellant, bijgestaan door mr. G. van Reemst te Utrecht, had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank. De inhoudelijke achtergrond van de zaak — de aard van het besluit van de minister en de gronden waarop de rechtbank dat besluit in stand had gelaten — blijkt niet uit de gepubliceerde tekst van de hogerberoepsuitspraak; enkel de overwegingen 8.1 en 8.2 van de rechtbankuitspraak worden door de Afdeling overgenomen. De centrale rechtsvraag in hoger beroep was of de rechtbank terecht en op goede gronden tot haar oordeel was gekomen. De Afdeling beantwoordde die vraag bevestigend. Daarnaast constateerde zij dat het hogerberoepschrift geen vragen bevatte die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoefden. Op grond hiervan paste de Afdeling de verkorte motiveringsregel van artikel 91 lid 2 Vw 2000 toe, die de rechter toestaat met een beknopte overweging te volstaan. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan door een enkelvoudige kamer, hetgeen aansluit bij het routinematige karakter van de zaak. Voor appellant betekent dit oordeel dat de eerder vastgestelde rechtspositie definitief in stand blijft. De uitspraak heeft geen precedentwerking en is uitsluitend relevant voor de betrokken partijen.