RvS: ontheffing nulstand wilde zwijnen Utrecht rechtmatig
ECLI:NL:RVS:2026:2097, Raad van State, 15-04-2026, 202202190/1/A3
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 31 augustus 2020 heeft het college van gedeputeerde staten van Utrecht aan de Faunabeheereenheid Utrecht ontheffing verleend voor het doden van wilde zwijnen in de provincie Utrecht. De Faunabeheereenheid heeft in het vastgestelde faunabeheerplan voor de provincie Utrecht voor de periode 2019-2025 opgenomen dat voor wilde zwijnen een nulstand wordt nagestreefd. De faunabeheereenheid heeft daartoe een ontheffing gevraagd om voor de duur van het faunabeheerplan jaarrond wilde zwijnen in de provincie te mogen doden met het geweer. Deze ontheffing is gevraagd in het belang van schadebestrijding en de verkeersveiligheid en voor het voorkomen of bestrijden van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren. Het college heeft de ontheffing verleend en die in bezwaar in stand gelaten, met verbetering van de motivering. De rechtbank heeft overwogen dat de faunabeheereenheid de ontheffing heeft aangevraagd ter uitvoering van het door het college in de provincie gehanteerde nulstandbeleid. Dit beleid wil voorkomen dat in de provincie vrij levende groepen wilde zwijnen zullen komen. Volgens de rechtbank moet het college aannemelijk maken dat de ontheffing nodig is om de belangen van het voorkomen van schade, aanrijdingen met wilde zwijnen en onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren te beschermen. De rechtbank stelt vast dat het college de noodzaak voor de ontheffing invult door te wijzen op het belang van de handhaving van zijn nulstandbeleid. Dat is volgens de rechtbank onvoldoende. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de noodzaak voor de ontheffing onvoldoende is onderbouwd. Het college wijst op het belang van het nulstandbeleid. Het zijn deskundigen die in rapporten hebben geconstateerd dat wilde zwijnen zich na vestiging snel voortplanten, waardoor de populatie op korte termijn niet meer beheersbaar is. Verder is het onredelijk om te verlangen dat eerst in de provincie schade moet worden geleden, om die te gebruiken voor de onderbouwing van maatregelen om die schade te voorkomen.
Kern van de zaak
De Faunabeheereenheid Utrecht vroeg een ontheffing om jaarrond wilde zwijnen te mogen doden ter uitvoering van het provinciale nulstandbeleid. Stichting Animal Rights en Stichting Fauna4Life bestreden deze ontheffing via bezwaar en beroep. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, waarna het college van gedeputeerde staten in hoger beroep ging.
Beslissing van de rechter
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaart het hoger beroep van het college van gedeputeerde staten van Utrecht gegrond en het beroep van de dierenwelzijnsstichtingen ongegrond. De doorslaggevende reden is dat de ontheffing afdoende gemotiveerd is vanuit de belangen van schadebestrijding, verkeersveiligheid en het voorkomen van onnodig lijden, en dat het provinciale nulstandbeleid als toereikende grondslag kan dienen.
Impactscore
MiddelDe uitspraak heeft praktische betekenis voor faunabeheer in Utrecht en biedt enige precedentwerking voor vergelijkbare provinciale nulstandbeleidslijnen, maar heeft geen fundamenteel nieuwe rechtsontwikkeling voor het omgevings- of natuurbeschermingsrecht als geheel.
Belangrijkste punten
- 1Overgangsrecht: omdat de ontheffingsaanvraag dateert van 1 juli 2020, blijft de Wet natuurbescherming (oud) van toepassing ondanks inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024.
- 2Het provinciale nulstandbeleid voor wilde zwijnen in Utrecht vormt de beleidsmatige context voor de ontheffingverlening.
- 3De ontheffing is verleend op drie cumulatieve gronden: schadebestrijding, verkeersveiligheid en voorkoming van onnodig lijden van zieke/gebrekkige dieren.
- 4De rechtbank had de ontheffing ten onrechte vernietigd door de motivering via het nulstandbeleid onvoldoende te achten; de Raad van State oordeelt anders.
- 5Stichting Animal Rights en Stichting Fauna4Life staan met lege handen: hun beroep wordt alsnog ongegrond verklaard.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak verduidelijkt dat provincies onder de Wet natuurbescherming (oud) een ontheffing voor populatiebeheer van wilde zwijnen rechtsgeldig kunnen motiveren via een vastgesteld nulstandbeleid in combinatie met de wettelijke belangen van schade, verkeersveiligheid en dierenwelzijn. Het overgangsrecht van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet wordt daarbij toegepast.
Praktische impact
De Faunabeheereenheid Utrecht mag op basis van de onherroepelijke ontheffing jaarrond wilde zwijnen blijven doden met het geweer voor de resterende looptijd van het faunabeheerplan 2019-2025; dierenwelzijnsorganisaties kunnen dit beheer niet langer via deze procedure tegenhouden.
Onderwerp-impact
Voor faunabeheereenheden en provincies bevestigt deze uitspraak dat nulstandbeleid voor wilde zwijnen, mits ingebed in een vastgesteld faunabeheerplan en onderbouwd met de wettelijke belangen, een houdbare grondslag vormt voor jaarronde ontheffingverlening.
Samenvatting
Deze zaak draait om de rechtmatigheid van een ontheffing die het college van gedeputeerde staten van Utrecht verleende aan de Faunabeheereenheid Utrecht, op grond van de Wet natuurbescherming. De ontheffing stelt de faunabeheereenheid in staat om gedurende de looptijd van het faunabeheerplan 2019-2025 jaarrond wilde zwijnen te doden met het geweer, ter uitvoering van het provinciale nulstandbeleid. Dit beleid beoogt te voorkomen dat zich vrij levende groepen wilde zwijnen in de provincie Utrecht vestigen. De ontheffing werd gemotiveerd vanuit drie wettelijke belangen: het voorkomen van landbouwschade, het bevorderen van de verkeersveiligheid en het voorkomen of bestrijden van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren. Stichting Animal Rights en Stichting Fauna4Life bestreden de ontheffing. De rechtbank Midden-Nederland gaf hen gelijk en oordeelde dat de verwijzing naar het nulstandbeleid als motivering voor de noodzaak van de ontheffing onvoldoende was. Het college ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Een eerste procedureel aandachtspunt betreft het overgangsrecht: omdat de ontheffingsaanvraag op 1 juli 2020 werd ingediend, vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024, blijft de Wet natuurbescherming (oud) van toepassing op grond van artikel 2.9 van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet. De Afdeling verklaart het hoger beroep van het college gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van beide stichtingen ongegrond. De Raad van State oordeelt daarmee dat de ontheffing afdoende is gemotiveerd: het college kon de noodzaak van de maatregel onderbouwen via het vastgestelde nulstandbeleid in samenhang met de drie wettelijke belangen. De ontheffing is daarmee onherroepelijk geworden en de faunabeheereenheid kan het afschot voortzetten.