RvS: onjuiste bronvermeldingen in scriptie tellen als fraude
ECLI:NL:RVS:2026:2090, Raad van State, 15-04-2026, 202600211/1/A2
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij beslissing van 10 oktober 2025 heeft de examencommissie Recht en Veiligheid het door [appellante] ingeleverde Plan van Aanpak -PvA 1419LB411A- ongeldig verklaard, haar uitgesloten van deelname aan toetsen gedurende twee periodes en aan het college van bestuur een voordracht tot uitschrijving gedaan wegens fraude. Bij beslissing van 24 november 2025 heeft het college van beroep voor de examens van Hogeschool Inholland het door [appellante] ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard. [appellante] studeert HBO-rechten aan de Hogeschool Inholland. In mei 2025 moest zij als onderdeel van haar afstudeerprogramma een Plan van Aanpak inleveren. Bij de beoordeling constateerde de examinator onduidelijkheden in de bronvermelding. Hij heeft [appellante] om een toelichting gevraagd. Na ontvangst daarvan, zag de examinator aanleiding om een vermoeden van fraude te melden bij de examencommissie. Die heeft geconcludeerd dat er voldoende grond is om vast te stellen dat er sprake is van fraude. [appellante] heeft in haar Plan van Aanpak namelijk gebruik gemaakt van bronnen die niet bestaan of wel bestaan, maar een andere inhoud hebben dan in de tekst opgenomen. Het ging hierbij om 11 fouten in de bronvermeldingen. Als sanctie heeft de examencommissie het Plan van Aanpak ongeldig verklaard. Omdat dit de derde keer was dat [appellante] een sanctie wegens fraude werd opgelegd, heeft de examencommissie haar als aanvullende sanctie uitgesloten van toetsen gedurende twee periodes in studiejaar 2025-2026.
Kern van de zaak
Een HBO-rechtenstudente aan Hogeschool Inholland werd door de examencommissie bestraft wegens fraude, omdat haar Plan van Aanpak 11 fouten in bronvermeldingen bevatte: bronnen die niet bestonden of inhoudelijk niet klopten. Het College van Beroep voor de Examens (CBE) verklaarde haar administratief beroep ongegrond, waarna zij in hoger beroep ging bij de Raad van State.
Beslissing van de rechter
De Raad van State bevestigt het oordeel van het CBE: onjuiste en niet-bestaande bronvermeldingen in een afstudeeropdracht leveren fraude op in de zin van artikel 140 lid 1 sub e OER. Doorslaggevend is dat het gebruik van niet-traceerbare of inhoudelijk onjuiste bronnen het onmogelijk maakt een juist oordeel te geven over de kennis en vaardigheden van de student, ongeacht of kunstmatige intelligentie daarbij een rol heeft gespeeld.
Impactscore
MiddelDe uitspraak heeft brede relevantie voor hogeronderwijsinstellingen die te maken hebben met AI-gerelateerde fraude, maar is een toepassing van bestaande OER-bepalingen en stelt geen fundamenteel nieuwe rechtsregel; de impact blijft daardoor op middenniveau.
Belangrijkste punten
- 1Elf onjuiste bronvermeldingen (niet-bestaande literatuur en jurisprudentie over andere onderwerpen) kwalificeren als fraude op grond van art. 140 lid 1 sub e OER.
- 2De herkomst van de onjuiste bronnen – inclusief eventueel gebruik van AI – is niet doorslaggevend voor de kwalificatie fraude; de norm ziet op het ontbreken van deugdelijke bronvermelding.
- 3De sanctie (ongeldigverklaring Plan van Aanpak én uitsluiting van twee toetsperioden) werd opgelegd via de sanctieladder, omdat het de derde fraudevaststelling betrof.
- 4Aanvullend is een voordracht tot beëindiging van de inschrijving bij het college van bestuur aangekondigd.
- 5Het CBE had het administratief beroep ongegrond verklaard; de RvS bekrachtigt dit oordeel.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak verduidelijkt dat de fraudebepaling in onderwijsregelingen breed moet worden uitgelegd: ook foutieve of verzonnen bronvermeldingen vallen eronder, zonder dat bewijs van opzet of AI-gebruik vereist is. Dit heeft precedentwerking voor vergelijkbare OER-bepalingen bij andere hogescholen en universiteiten.
Praktische impact
Studenten die (al dan niet via AI-tools) bronnen citeren die niet bestaan of inhoudelijk niet kloppen, riskeren zware sancties waaronder uitsluiting van tentamens en zelfs uitschrijving; onderwijsinstellingen worden bevestigd in hun bevoegdheid om streng op te treden.
Onderwerp-impact
De uitspraak is relevant voor de omgang met AI-gegenereerde 'hallucinations' in het hoger onderwijs: hogescholen hoeven niet te bewijzen dát AI is gebruikt om fraude vast te stellen bij niet-bestaande bronnen.
Samenvatting
Een studente HBO-rechten aan Hogeschool Inholland leverde in mei 2025 een Plan van Aanpak in met 11 fouten in bronvermeldingen: literatuurbronnen die niet bestonden of inhoudelijk afweken, en jurisprudentie die ofwel niet gepubliceerd was ofwel betrekking had op andere onderwerpen. De examinator meldde een fraudevermoeden bij de examencommissie, die fraude vaststelde en het Plan van Aanpak ongeldig verklaarde. Omdat het de derde fraudevaststelling betrof, volgde ook uitsluiting van toetsdeelname gedurende twee perioden in studiejaar 2025-2026, alsmede een aankondiging van een voordracht tot inschrijvingsbeëindiging. De juridische vraag die centraal stond, was of onjuiste en niet-traceerbare bronvermeldingen kunnen worden gekwalificeerd als fraude in de zin van artikel 140 lid 1 sub e van de Onderwijs- en Examenregeling, en zo ja, of de opgelegde sancties proportioneel zijn. Die bepaling verbiedt het gebruik van teksten, redeneringen, gegevens of ideeën van anderen zonder de bron 'compleet en goed' te vermelden, en omvat uitdrukkelijk ook hulpmiddelen gebaseerd op AI-software. Het College van Beroep voor de Examens verklaarde het administratief beroep ongegrond: de bronnen waren inderdaad niet vindbaar of inhoudelijk onjuist, waardoor een juist oordeel over de kennis en vaardigheden van de studente onmogelijk werd. De Raad van State bekrachtigt dit oordeel. Doorslaggevend is dat de fraudenorm niet vereist dat wordt vastgesteld wat de herkomst van de onjuiste bronnen is; het is dus irrelevant of de studente AI heeft gebruikt. Voldoende is dat de bronvermeldingen niet kloppen en daarmee de toetsing van het werk belemmeren. De uitspraak heeft betekenis voor het brede debat over AI-gebruik in het onderwijs: instellingen kunnen op grond van bestaande OER-bepalingen optreden tegen 'hallucinations' in bronvermeldingen zonder bewijs van AI-inzet te hoeven leveren.