JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:1047Middel38/100

Raad van State vernietigt deels uitspraak over Amsterdamse ligplaatsvergunningen

ECLI:NL:RVS:2026:1047, Raad van State, 25-02-2026, 202406405/1/A3

Raad van StateUitspraak: 25 februari 2026Publicatie: 25 februari 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:202406405/1/A3
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Omgevingsrecht
Overheid
Vergunningen
Transport
Ligplaatsvergunning
Amsterdam
Rondvaart
Exclusieve Opstapplaats
Bepaalde Tijd

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij vijftien besluiten van 15 juli 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam de ligplaatsvergunningen van Blue Boat Company voor onbepaalde tijd gewijzigd in ligplaatsvergunningen voor bepaalde tijd met als einddatum 1 maart 2024 en 1 maart 2026. Deze zaak kent een voorgeschiedenis die uitgebreid uiteen is gezet in de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:823. Ook in deze zaak heeft het college ligplaatsvergunningen gewijzigd in ligplaatsvergunningen voor bepaalde tijd. De einddatum is, na verlenging, gesteld op 1 maart 2024, 1 maart 2026, 1 maart 2028 en 1 maart 2030. Het college heeft de gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Kern van de zaak

Het college van B&W van Amsterdam wijzigde ligplaatsvergunningen voor rondvaartboten naar vergunningen voor bepaalde tijd. Rederijen, waaronder Blue Boat Company, maakten bezwaar. De rechtbank vernietigde de besluiten omdat het college te vroeg handelde zonder beleid over exclusieve op- en afstapplaatsen.

Beslissing van de rechter

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaart zowel het hoger beroep van het college als het incidenteel hoger beroep van de rederijen gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt gedeeltelijk vernietigd, omdat drie vaartuigen van Blue Boat Company geen exclusieve op- en afstapplaatsen hebben en dus ten onrechte onder de vernietiging vielen; het college wordt opgedragen alsnog een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

38van 100

Impactscore

Middel

De uitspraak heeft directe relevantie voor de Amsterdamse rondvaartmarkt en verduidelijkt de grens tussen verschillende categorieën ligplaatsvergunningen, maar heeft beperkte precedentwerking buiten deze specifieke context.

Belangrijkste punten

  • 1Onderscheid is cruciaal tussen ligplaatsvergunningen voor exclusieve op- en afstapplaatsen (met huurovereenkomst) en reguliere ligplaatsvergunningen zonder exclusief gebruik.
  • 2De rechtbank vernietigde ten onrechte ook de besluiten over drie vaartuigen (Amstel Glory, Lido, Amstel Jade) zonder exclusieve op- en afstapplaatsen.
  • 3Blue Boat Company bevestigde zelf dat deze drie vaartuigen geen exclusieve op- en afstapplaatsen hebben, wat het oordeel van de Afdeling onderbouwt.
  • 4Het college moet over de exclusieve op- en afstapplaatsen nog beleid formuleren, afhankelijk van de einddatum van huurovereenkomsten.
  • 5De Afdeling draagt het college op een nieuw besluit op bezwaar te nemen voor de betreffende drie vaartuigen.

Impactanalyse

Juridische impact

Deze uitspraak verduidelijkt dat bij besluiten over ligplaatsvergunningen een scherp onderscheid moet worden gemaakt tussen locaties met en zonder exclusieve gebruiksrechten, met ieder een eigen beoordelingskader. Het toont dat rechters bij vernietiging van besluiten nauwkeurig moeten afbakenen welke vergunningstypes door hun oordeel worden geraakt.

Praktische impact

Het college van Amsterdam moet voor de drie reguliere ligplaatsvergunningen van Blue Boat Company opnieuw beslissen op bezwaar. Rederijen met exclusieve op- en afstapplaatsen blijven beschermd totdat duidelijkheid bestaat over de huurovereenkomsten en er beleid is geformuleerd.

Onderwerp-impact

Voor de Amsterdamse rondvaartbranche bevestigt deze uitspraak dat de gemeente niet zonder meer ligplaatsvergunningen voor bepaalde tijd kan opleggen zonder rekening te houden met bestaande huurovereenkomsten en het ontbreken van beleid over exclusieve locaties.

Samenvatting

Deze zaak betreft een geschil over de wijziging van ligplaatsvergunningen voor rondvaartboten in Amsterdam. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam had bestaande ligplaatsvergunningen omgezet naar vergunningen voor bepaalde tijd, met einddata variërend van 2024 tot 2030. Rederijen, waaronder Blue Boat Company, maakten bezwaar. De rechtbank Amsterdam gaf de rederijen gelijk en vernietigde de besluiten, omdat het college te vroeg had gehandeld: voor de locaties met exclusieve op- en afstapplaatsen ontbreekt nog beleid, en dat beleid kan pas worden vastgesteld als duidelijk is wanneer de bijbehorende huurovereenkomsten met de gemeente eindigen. In hoger beroep bij de Raad van State lag de vraag voor of de rechtbank terecht ook de besluiten over reguliere ligplaatsvergunningen — zonder exclusieve op- en afstapplaatsen — had vernietigd. Het college betoogde dat drie vaartuigen van Blue Boat Company (Amstel Glory, Lido en Amstel Jade) wél reguliere vergunningen hadden, zonder exclusief gebruiksrecht. Blue Boat Company bevestigde dit tijdens de zitting. De Afdeling oordeelt dat de rechtbank deze drie gevallen ten onrechte heeft meegenomen in de vernietiging. De redenering van de rechtbank — dat het college te vroeg heeft gehandeld vanwege ontbrekend beleid over exclusieve locaties — geldt immers niet voor reguliere ligplaatsvergunningen. De uitspraak van de rechtbank wordt op dit punt vernietigd, en het college wordt opgedragen voor deze drie vaartuigen alsnog een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Zowel het hoger beroep van het college als het incidenteel hoger beroep van de overige rederijen wordt gegrond verklaard. De zaak onderstreept het belang van een nauwkeurig onderscheid tussen vergunningcategorieën bij stedelijk vaarwegbeheer.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 14 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak
38van 100
MiddelLees toelichting ↓

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:CBB:2026:324Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:CBB:2026:324, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 14-07-2026, 23/1898

College van Beroep voor het bedrijfsleven14 jul 2026OverheidHandhaving
22/100Bekijk
ECLI:NL:CBB:2026:323Middel
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht

ECLI:NL:CBB:2026:323, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 14-07-2026, 25/232

College van Beroep voor het bedrijfsleven14 jul 2026ZorgHandhaving
38/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1275Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1275, Hoge Raad, 10-07-2026, 26/01234

Hoge Raad10 jul 2026ArbeidsrelatiesOverheid
28/100Bekijk
ECLI:NL:RBDHA:2026:19357Laag
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:19357, Rechtbank Den Haag, 10-07-2026, NL25.56506

Rechtbank Den Haag10 jul 2026OverheidAansprakelijkheid
28/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied