Omgevingsvergunning nieuwe uitweg geweigerd wegens strijd met APV
ECLI:NL:RVS:2026:1041, Raad van State, 25-02-2026, 202304172/1/R1
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 21 december 2020 heeft het college van van burgemeester en wethouders van Rozendaal geweigerd om aan [appellant] een omgevingsvergunning te verlenen voor het maken van een uitweg van zijn perceel [locatie] in [woonplaats] op de Ringallee. Het perceel van [appellant] had een uitweg aan de achterzijde, die aansloot op de Bosweg. [appellant] heeft de woning verbouwd en daarbij deze uitweg verwijderd en een nieuwe uitweg aan de voorzijde van zijn perceel gemaakt, waarmee ook de aan de voorzijde nieuw gebouwde garage op zijn perceel kan worden bereikt. Die nieuwe uitweg sluit aan op de Ringallee. Hij heeft hiervoor een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het toetsingskader van de Apv hier niet van toepassing is. Hij voert aan dat, gelet op artikel 2:12, derde lid, van de Apv, het toetsingskader van artikel 5.3 van de Omgevingsverordening van toepassing is. Het college van b&w had zijn aanvraag dus moeten toetsen aan dat artikel. [appellant] betoogt verder dat de aanvraag voldoet aan de voorwaarden van de Omgevingsverordening
Kern van de zaak
Een bewoner in Rozendaal verbouwde zijn woning en legde een nieuwe uitweg aan de voorzijde van zijn perceel aan ter ontsluiting van een nieuw gebouwde garage op de Ringallee, na verwijdering van de bestaande uitweg aan de achterzijde. Hij vroeg hiervoor een omgevingsvergunning aan, die het college van b&w weigerde wegens strijd met de APV. De appellant betwist dit toetsingskader en stelt dat de Omgevingsverordening Gelderland van toepassing is.
Beslissing van de rechter
De Raad van State behandelt het hoger beroep tegen de weigering van de omgevingsvergunning voor de nieuwe uitweg. Het college van b&w weigerde de vergunning op grond van strijd met artikel 2:12, tweede lid, aanhef en onder a, van de APV Rozendaal 2018; de appellant betwist echter dat de APV het juiste toetsingskader is en stelt dat artikel 5.3 van de Omgevingsverordening Gelderland had moeten worden toegepast. De uitspraak is onvolledig weergegeven, waardoor de uiteindelijke beslissing niet volledig kan worden vastgesteld.
Impactscore
LaagHet betreft een casuïstische zaak over de toepassing van gemeentelijke versus provinciale vergunningsregelgeving bij een individuele uitwegvergunning; de uitspraaktekst is onvolledig waardoor de einduitkomst niet vast te stellen is, wat de impact verder beperkt.
Belangrijkste punten
- 1Overgangsrecht: oud recht (vóór 1 januari 2024) blijft van toepassing ondanks inwerkingtreding Omgevingswet per 1 januari 2024
- 2Appellant stelt dat artikel 2:12, derde lid, APV bepaalt dat de Omgevingsverordening Gelderland (artikel 5.3) het toepasselijke toetsingskader is, niet de APV zelf
- 3College van b&w weigerde vergunning wegens strijd met artikel 2:12 lid 2 sub a APV (uitweg op provinciale weg/Ringallee)
- 4Centrale rechtsvraag betreft de samenloop en voorrang van gemeentelijke APV versus provinciale omgevingsverordening
- 5De uitspraaktekst is onvolledig; definitieve oordeel van de Raad van State over het hoger beroep kan niet worden vastgesteld
Impactanalyse
Juridische impact
De zaak verduidelijkt welk toetsingskader van toepassing is bij aanleg van een uitweg op een provinciale weg: de gemeentelijke APV of de provinciale Omgevingsverordening. De uitkomst is relevant voor de toepassingsvolgorde bij samenloopbepalingen in verordeningen.
Praktische impact
Voor burgers die een uitweg willen aanleggen op een (provinciale) weg in Gelderland is het onduidelijk aan welke regelgeving zij moeten voldoen; helderheid hierover bepaalt de vergunningsprocedure en de kans op toestemming.
Onderwerp-impact
In het omgevingsrecht en de ruimtelijke ordening is de verhouding tussen gemeentelijke en provinciale regelgeving bij uitzorgvergunningen een terugkerend vraagstuk, met directe gevolgen voor de bouw- en verbouwpraktijk.
Samenvatting
Deze zaak betreft een hoger beroep bij de Raad van State over de weigering van een omgevingsvergunning voor de aanleg van een nieuwe uitweg. De bewoner van een perceel in Rozendaal verbouwde zijn woning en legde daarbij een nieuwe uitweg aan de voorzijde aan, die aansluit op de Ringallee (een provinciale weg), ter ontsluiting van een nieuw gebouwde garage. De bestaande uitweg aan de achterzijde van het perceel, uitkomend op de Bosweg, werd verwijderd. Het college van burgemeester en wethouders weigerde de aangevraagde omgevingsvergunning omdat de nieuwe uitweg in strijd zou zijn met artikel 2:12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) Rozendaal 2018. De rechtbank bekrachtigde dit standpunt in eerste aanleg. In hoger beroep betoogt appellant dat het college een verkeerd toetsingskader heeft gehanteerd. Op grond van artikel 2:12, derde lid, van diezelfde APV stelt hij dat – nu de uitweg aansluit op een provinciale weg – het toetsingskader van artikel 5.3 van de Omgevingsverordening Gelderland van toepassing is, en niet de weigeringsgronden van de APV zelf. De aanvraag zou volgens hem voldoen aan de voorwaarden van de Omgevingsverordening. De Raad van State past het oude recht toe (vóór 1 januari 2024), nu het hoger beroep ziet op een besluit van vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet. De centrale rechtsvraag is daarmee of de provinciale Omgevingsverordening de gemeentelijke APV verdringt bij de beoordeling van een uitwegvergunning op een provinciale weg. De uitspraaktekst is onvolledig aangeleverd, waardoor het definitieve oordeel van de Raad van State niet volledig kan worden weergegeven. De zaak illustreert de complexiteit van de samenloop van gemeentelijke en provinciale regelgeving in het omgevingsrecht.