Hoger beroep toeslagengedupeerde over schuldsanering ongegrond verklaard
ECLI:NL:RVS:2026:1028, Raad van State, 25-02-2026, 202401183/1/A2
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 6 april 2022 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aanvraag van [appellante] om haar private geldschulden over te nemen gedeeltelijk toegewezen en gedeeltelijk afgewezen. [appellante] is een erkende gedupeerde van de toeslagenaffaire. Zij heeft een aanvraag voor overname van haar private schulden ingediend. Het overnemen van private schulden werd namens de Belastingdienst/Toeslagen en wordt nu namens de minister uitgevoerd door de uitvoeringsorganisatie Sociale Banken Nederland (SBN). De minister heeft op 6 april 2022 besloten de schuld bij Intrum inz Energie Direct over te nemen voor een bedrag van € 253,98. De schulden bij Defam en bij de vader van [appellante] heeft de minister geweigerd over te nemen. Omdat het bezwaar tegen dit besluit niet binnen zes weken na 6 april 2022 is ingediend, heeft de minister het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Kern van de zaak
Een erkende gedupeerde van de toeslagenaffaire diende een aanvraag in voor overname van haar private schulden. De minister weigerde twee schulden over te nemen en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding. De rechtbank bevestigde dit oordeel, waarna appellante in hoger beroep ging bij de Raad van State.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Doorslaggevend is dat appellante niet heeft aangetoond dat zij tijdig bezwaar heeft ingediend, nu het bezwaarschrift pas op 23 augustus 2022 werd ontvangen terwijl de termijn op 18 mei 2022 afliep, en er geen registraties zijn gevonden van een eerder ingediend bezwaar of telefonisch contact.
Impactscore
LaagDe uitspraak past bestaande procesrechtelijke regels toe op een individuele zaak en stelt geen nieuwe rechtsregels. De betekenis is beperkt tot de concrete casus, hoewel de toeslagencontext enige bredere relevantie geeft voor vergelijkbare gevallen.
Belangrijkste punten
- 1Appellante is erkend gedupeerde van de toeslagenaffaire; schulden bij Defam en haar vader werden geweigerd overgenomen door de minister.
- 2Het bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding: ontvangen op 23 augustus 2022, termijn verlopen op 18 mei 2022.
- 3Appellante stelde eerder bezwaar te hebben ingediend en telefonisch contact te hebben gehad, maar dit kon niet worden teruggevonden in de systemen van de minister.
- 4De verklaring dat appellante ziek was en zware medicatie gebruikte tijdens de bezwaartermijn werd niet onderbouwd.
- 5De Afdeling oordeelt dat de minister geen beleid van een ander bestuursorgaan (Dienst Toeslagen) hoeft toe te passen bij zijn eigen besluitvorming.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat de reguliere bezwaartermijnen onverkort gelden in het kader van de schuldenovernameprocedure voor toeslagengedupeerden, ook wanneer de inhoudelijke beoordeling elders soepeler wordt gehanteerd. Het onderscheid tussen verschillende bestuursorganen binnen de toeslagenafhandeling blijft juridisch relevant.
Praktische impact
Voor toeslagengedupeerden betekent dit dat zij tijdig en aantoonbaar bezwaar moeten maken tegen besluiten over schuldsanering; mondeling contact of niet-geregistreerde correspondentie biedt onvoldoende bescherming bij een beroep op verschoonbare termijnoverschrijding.
Onderwerp-impact
Binnen de bredere toeslagenaffaire onderstreept deze uitspraak dat procedurele vormvereisten ook gelden voor gedupeerden, wat de toegankelijkheid van rechtsbescherming voor een kwetsbare groep onder druk kan zetten.
Samenvatting
Deze zaak betreft een erkende gedupeerde van de toeslagenaffaire die bij de minister een aanvraag indiende voor overname van private schulden. De minister nam op 6 april 2022 een besluit waarbij één schuld (bij Intrum inz Energie Direct, € 253,98) werd overgenomen, maar twee andere schulden — bij Defam en bij de vader van appellante — werden geweigerd. Appellante diende bezwaar in, maar dit bezwaarschrift werd pas op 23 augustus 2022 door de minister ontvangen, terwijl de bezwaartermijn van zes weken al op 18 mei 2022 was verstreken. De minister verklaarde het bezwaar daarom niet-ontvankelijk. Appellante stelde dat zij eerder — tijdig — bezwaar had ingediend naar het postadres van de Belastingdienst/Toeslagen in Heerlen, en dat er in juni 2022 telefonisch contact was geweest. De minister deed navraag bij de postkamer en bij uitvoeringsorganisatie SBN, maar vond geen registraties van het eerdere bezwaarschrift of het telefonische contact. Ook de stelling dat appellante door ziekte en zware medicatie niet eerder in actie had kunnen komen, werd niet met stukken onderbouwd. De rechtbank bevestigde de niet-ontvankelijkverklaring, en ook de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat het hoger beroep ongegrond is. Ten aanzien van het betoog dat de minister soepeler beleid had moeten toepassen — zoals dat bij de integrale beoordeling door de Dienst Toeslagen geldt — overweegt de Afdeling dat de minister geen beleid van een ander bestuursorgaan hoeft toe te passen. Dat dit onderscheid voor burgers niet altijd duidelijk is, doet daar niet aan af. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en appellante krijgt geen proceskosten vergoed.