Raad van State onbevoegd in hoger beroep vreemdelingenbewaring
ECLI:NL:RVS:2026:100, Raad van State, 12-01-2026, BRS.25.001855
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 30 augustus 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Kern van de zaak
Een vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen een rechtbankuitspraak over het voortduren van zijn vrijheidsontnemende maatregel (artikel 96 Vw 2000). De vreemdeling werd bijgestaan door een advocaat uit Gouda.
Beslissing van de rechter
De Raad van State verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen. De doorslaggevende reden is dat artikel 84, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 hoger beroep tegen uitspraken over het voortduren van vrijheidsontnemende maatregelen op grond van artikel 96 Vw 2000 uitdrukkelijk uitsluit, en er geen sprake is van een doorbreking van dit verbod wegens schending van het recht op een eerlijk proces.
Impactscore
LaagDe uitspraak past volledig binnen vaste jurisprudentie en bevestigt slechts een wettelijke bevoegdheidsbeperking zonder nieuwe rechtsvragen te beantwoorden of precedent te scheppen.
Belangrijkste punten
- 1Hoger beroep tegen uitspraken over voortduring van vreemdelingenbewaring (art. 96 Vw 2000) is wettelijk uitgesloten op grond van art. 84, aanhef en onder a, Vw 2000.
- 2Het verbod op hoger beroep kan alleen worden doorbroken indien geen eerlijk proces heeft plaatsgevonden; dit deed zich hier niet voor.
- 3De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart zich onbevoegd en neemt het hoger beroep niet in behandeling.
- 4De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
- 5De uitspraak is gedaan door een enkelvoudige kamer, wat de routinematige aard van de bevoegdheidsvraag onderstreept.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat de Afdeling bestuursrechtspraak geen hoger beroep behandelt over het voortduren van vreemdelingenbewaring ex artikel 96 Vw 2000, tenzij sprake is van schending van het recht op een eerlijk proces. Er wordt geen nieuw recht gesteld.
Praktische impact
Vreemdelingen die in bewaring zijn gesteld en bezwaar hebben tegen het voortduren daarvan, kunnen niet via hoger beroep bij de Raad van State verdere rechtsbescherming zoeken; hun rechtsmiddelen zijn beperkt tot de rechtbank.
Onderwerp-impact
Voor de vreemdelingenrechtpraktijk bevestigt deze uitspraak dat hoger beroep in bewaringszaken op grond van art. 96 Vw 2000 een dode letter blijft, tenzij een eerlijk-procesverweer slaagt.
Samenvatting
In deze zaak stelde een vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank over het voortduren van zijn vrijheidsontnemende maatregel, opgelegd op grond van artikel 96 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). De vreemdeling werd bijgestaan door mr. M.E. Muller, advocaat in Gouda. De centrale juridische vraag was of de Afdeling bevoegd is om dit hoger beroep te behandelen. Artikel 84, aanhef en onder a, van de Vw 2000 sluit hoger beroep uitdrukkelijk uit in zaken die betrekking hebben op het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in artikel 96 Vw 2000. Dit wettelijke verbod is daarmee in beginsel absoluut. De Afdeling erkent dat een doorbreking van dit appelverbod mogelijk is, maar uitsluitend indien de procedure bij de rechtbank niet aan de eisen van een eerlijk proces heeft voldaan. De vreemdeling heeft in hoger beroep geen feiten of omstandigheden aangevoerd die een dergelijke doorbreking rechtvaardigen. Van een schending van het recht op een eerlijk proces is niet gebleken. Op grond hiervan verklaart de Afdeling bestuursrechtspraak zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen. Aan een inhoudelijke beoordeling van de maatregel wordt niet toegekomen. De minister wordt evenmin veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak, gedaan door een enkelvoudige kamer, is in lijn met de vaste jurisprudentie van de Afdeling op dit punt en heeft geen zelfstandige precedentwerking. Voor de praktijk betekent dit dat vreemdelingen in bewaringszaken op grond van artikel 96 Vw 2000 hun rechtsbescherming uitsluitend bij de rechtbank moeten zoeken.