JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2025:6432Laag28/100

Urgentieverklaring woning geweigerd ondanks gestelde mishandeling door zoon

ECLI:NL:RVS:2025:6432, Raad van State, 31-12-2025, 202405939/1/A2

Raad van StateUitspraak: 31 december 2025Publicatie: 31 december 2025
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:202405939/1/A2
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Zorg
Vergunningen
Bewijslast
Huiselijk Geweld
Urgentieverklaring
Huisvestingsverordening
Hardheidsclausule

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 7 juli 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam een aanvraag van [appellante] om een urgentieverklaring afgewezen. [appellante] heeft een aanvraag voor een urgentieverklaring ingediend. Zij stelt dat zij meerdere keren fysiek en psychisch door haar zoon is mishandeld, waardoor zij zich niet meer veilig voelt in haar woning. Haar klachten als gevolg van een bij haar gediagnosticeerde depressieve stoornis, PTSS en een persoonlijkheidsstoornis zijn hierdoor verergerd. De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij een urgent huisvestingsprobleem heeft. Wat in de medische informatie van Atypisch psychosociale hulpverlening van 29 september 2023 over de bedreiging en mishandeling staat, is alleen gebaseerd op de eigen verklaring van [appellante].

Kern van de zaak

Een vrouw vraagt een urgentieverklaring aan voor een andere woning in Amsterdam, omdat zij stelt meerdere keren fysiek en psychisch te zijn mishandeld door haar zoon. Zij lijdt aan een depressieve stoornis, PTSS en een persoonlijkheidsstoornis. Het college van Amsterdam wees de aanvraag af omdat een urgent huisvestingsprobleem niet aannemelijk was gemaakt.

Beslissing van de rechter

De Raad van State behandelde het hoger beroep tegen de rechtbankuitspraak, waarbij de rechtbank oordeelde dat appellante geen urgent huisvestingsprobleem aannemelijk had gemaakt; de gestelde mishandeling was uitsluitend gebaseerd op haar eigen verklaring zonder objectieve onderbouwing zoals een aangifte. De uitkomst van de RvS-procedure is op basis van de beschikbare tekst niet volledig kenbaar, maar de lagere instanties wezen de urgentieverklaring en toepassing van de hardheidsclausule af.

28van 100

Impactscore

Laag

Het betreft een toepassing van bestaande regelgeving op individuele feiten zonder nieuwe rechtsontwikkeling; de uitspraak herbevestigt bekende bewijsstandaarden binnen het huisvestingsurgentierecht.

Belangrijkste punten

  • 1Urgentieverklaring vereist een aantoonbaar urgent huisvestingsprobleem op grond van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020
  • 2Medische problematiek moet aantoonbaar het gevolg zijn van of aanzienlijk bijdragen aan de woonsituatie (art. 2.10.8 HVV)
  • 3Eigen verklaringen zonder objectieve onderbouwing (zoals aangifte of politiemelding) zijn onvoldoende bewijs
  • 4Hardheidsclausule (art. 2.10.11 HVV) wordt niet toegepast nu geen schrijnende situatie is vastgesteld
  • 5Medische informatie van hulpverlener gebaseerd op eigen verklaring appellante krijgt beperkt bewijsgewicht

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt dat bij urgentieverklaringen objectieve bewijsstukken vereist zijn en dat verklaringen van hulpverleners die uitsluitend steunen op de eigen mededeling van de aanvrager onvoldoende zijn. Dit stelt een hoge bewijsdrempel voor kwetsbare groepen die huiselijk geweld claimen.

Praktische impact

Slachtoffers van huiselijk geweld die een urgentieverklaring aanvragen, dienen concrete objectieve bewijsstukken te overleggen zoals een aangifte, politierapport of melding bij een officiële instantie; enkel medische verklaringen gebaseerd op zelfrapportage volstaan niet.

Onderwerp-impact

Voor de Amsterdamse woningmarkt bevestigt dit dat de urgentieprocedure een strenge bewijslast kent, wat de toegang tot urgentiewoningen voor slachtoffers van huiselijk geweld bemoeilijkt zonder formele documentatie van het geweld.

Samenvatting

Een vrouw uit Amsterdam verzocht om een urgentieverklaring voor een andere woning, stellende dat zij herhaaldelijk fysiek en psychisch was mishandeld door haar zoon. Zij lijdt aan een depressieve stoornis, PTSS en een persoonlijkheidsstoornis, welke klachten zij toeschrijft aan de onveilige woonsituatie. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees de aanvraag af op drie gronden: er was geen urgent huisvestingsprobleem aangetoond in de zin van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020, de medische problematiek was niet aantoonbaar het gevolg van of aanzienlijk bijdragend aan de woonsituatie, en er was geen reden om de hardheidsclausule toe te passen omdat geen schrijnende situatie was vastgesteld. De rechtbank bevestigde dit besluit en oordeelde dat appellante de gestelde mishandeling niet aannemelijk had gemaakt. De medische informatie van de hulpverlenende instantie Atypisch Psychosociale Hulpverlening was weliswaar overgelegd, maar bleek uitsluitend gebaseerd op de eigen verklaringen van appellante. Objectieve onderbouwing, zoals een aangifte bij de politie of een officiële melding, ontbrak. De Raad van State behandelde vervolgens het hoger beroep. De kernvraag betreft de bewijsdrempel voor een urgentieverklaring bij gesteld huiselijk geweld: in hoeverre dienen eigen verklaringen, al dan niet bevestigd door een hulpverlener, als voldoende bewijs te gelden. Op basis van de beschikbare tekst van de uitspraak is de uiteindelijke beslissing van de Raad van State niet volledig kenbaar, maar de redenering van zowel het college als de rechtbank maakt duidelijk dat objectieve bewijsstukken noodzakelijk worden geacht. Deze uitspraak illustreert de spanning tussen de beschermingsbehoefte van kwetsbare personen en de formele bewijsvereisten binnen het urgentiebeleid.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 13 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:CBB:2026:323Middel
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht

ECLI:NL:CBB:2026:323, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 14-07-2026, 25/232

College van Beroep voor het bedrijfsleven14 jul 2026ZorgHandhaving
38/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1275Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1275, Hoge Raad, 10-07-2026, 26/01234

Hoge Raad10 jul 2026ArbeidsrelatiesOverheid
28/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1245Richtinggevend
Bestuursrecht
Belastingrecht

ECLI:NL:HR:2026:1245, Hoge Raad, 10-07-2026, 25/00155

Hoge Raad10 jul 2026OverheidHandhaving
72/100Bekijk
ECLI:NL:RBDHA:2026:19357Laag
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:19357, Rechtbank Den Haag, 10-07-2026, NL25.56506

Rechtbank Den Haag10 jul 2026OverheidAansprakelijkheid
28/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied