Wet WOZ prevaleert boven Woo bij openbaarmaking WOZ-waarde
ECLI:NL:RVS:2025:6430, Raad van State, 31-12-2025, 202405206/1/A3
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 24 juli 2023 heeft de directeur van Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland het verzoek van [appellant] op grond van de Wet open overheid om openbaarmaking van documenten afgewezen. [appellant] heeft verzocht om openbaarmaking van documenten over, kortgezegd, de vastgestelde waarde van een woning aan de [locatie], in [woonplaats] op grond van de Wet waardering onroerende zaken. De directeur heeft het verzoek, voor zover dat geen betrekking heeft op al eerder via de website openbaar gemaakte informatie, afgewezen omdat op grond van rechtspraak van de Afdeling de Wet WOZ specifieke regels stelt over de openbaarmaking, die prevaleren boven het algemene regime van de Woo. De directeur heeft het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Kern van de zaak
Een burger verzocht op grond van de Wet open overheid (Woo) om openbaarmaking van documenten over de WOZ-waarde van een woning. De directeur wees het verzoek af omdat de Wet WOZ een uitputtende openbaarmakingsregeling kent die voorrang heeft op de Woo. De burger ging in hoger beroep bij de Raad van State.
Beslissing van de rechter
De uitspraak is op basis van de beschikbare tekst onvolledig; het hoger beroep van appellant richt zich tegen het oordeel dat de Wet WOZ als lex specialis prevaleert boven de Woo, ook al staat de Wet WOZ niet in de bijlage van artikel 8.8 Woo. De rechtbank oordeelde eerder dat de wetgeversbedoeling en de uitputtende aard van de WOZ-openbaarmakingsregeling doorslaggevend zijn, niet de bijlage.
Impactscore
MiddelDe zaak raakt een principiële vraag over de verhouding tussen de Woo en sectorale wetgeving, maar de impact is begrensd tot het specifieke domein van WOZ-openbaarmaking en bevestigt grotendeels bestaande rechtspraak.
Belangrijkste punten
- 1De Wet WOZ bevat een bijzondere, uitputtende openbaarmakingsregeling die voorrang heeft op de Woo, ook zonder vermelding in de bijlage van artikel 8.8 Woo.
- 2Appellant betoogt dat de bijlage van artikel 8.8 Woo een limitatieve opsomming vormt en de Wet WOZ daarin niet is opgenomen, zodat de Woo van toepassing is.
- 3De rechtbank verwees naar de wetsgeschiedenis van de Verzamelwet BZK 20XX (Kamerstukken II 2023/24, 36 481, nr. 3), waaruit blijkt dat de WOZ-regeling alsnog aan de bijlage wordt toegevoegd en als uitputtend geldt.
- 4De lijn uit eerdere rechtspraak over de Wob (Wet openbaarheid van bestuur) wordt doorgetrokken naar de Woo: de Wet WOZ-regeling heeft voorrang.
- 5De tekst van de uitspraak is onvolledig; de definitieve beslissing van de Afdeling op het hoger beroep is niet zichtbaar in de beschikbare tekst.
Impactanalyse
Juridische impact
Deze zaak bevestigt de rechtsvraag of een bijzondere wet als lex specialis kan prevaleren boven de Woo ook zonder expliciete vermelding in de bijlage van artikel 8.8 Woo; de uitkomst is relevant voor de verhouding tussen de Woo en andere sectorale openbaarmakingsregelingen. De Raad van State volgt hiermee — vermoedelijk — de lijn dat wetgeversbedoeling en uitputtende aard bepalend zijn, niet alleen de bijlage.
Praktische impact
Burgers die WOZ-gerelateerde documenten willen opvragen via de Woo zullen worden doorverwezen naar het regime van de Wet WOZ, wat hun toegangsrechten kan beperken. Dit beperkt de reikwijdte van de Woo als openbaarheidsinstrument in het belastingdomein.
Onderwerp-impact
Voor overheidsorganen die WOZ-gegevens beheren, bevestigt dit dat zij Woo-verzoeken over WOZ-informatie kunnen afwijzen op grond van de lex specialis-doctrine, zolang de Wet WOZ-regeling uitputtend van aard is.
Samenvatting
In deze zaak had een burger op grond van de Wet open overheid (Woo) verzocht om openbaarmaking van documenten over de vastgestelde WOZ-waarde van een specifieke woning. De directeur wees dit verzoek af met een beroep op de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ), die volgens vaste rechtspraak een bijzondere en uitputtende openbaarmakingsregeling bevat die voorrang heeft op het algemene regime van de Woo. Na een ongegrond bezwaar stelde de burger beroep in bij de rechtbank, die de afwijzing rechtmatig achtte. De rechtbank overwoog dat de bijlage van artikel 8.8 Woo weliswaar de Wet WOZ niet noemt, maar dat de wetgeversbedoeling — zoals blijkend uit de parlementaire geschiedenis van de Verzamelwet BZK 20XX — beslissend is. Uit die geschiedenis volgt dat de openbaarmakingsregeling van de Wet WOZ aan de bijlage zal worden toegevoegd en opnieuw als uitputtend moet worden aangemerkt, in lijn met eerdere rechtspraak over de voorganger van de Woo, de Wob. In hoger beroep bij de Raad van State betoogt appellant dat de bijlage van artikel 8.8 Woo een limitatieve opsomming bevat van wetten die van de Woo zijn uitgezonderd, en dat weigering op grond van een niet in die bijlage opgenomen wet in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. De beschikbare tekst van de uitspraak is onvolledig, waardoor de definitieve beslissing van de Afdeling bestuursrechtspraak niet kan worden vastgesteld. Op basis van de weergegeven overwegingen en de rechtbankuitspraak lijkt de centrale rechtsvraag te draaien om de interpretatiemethode: is de bijlage van artikel 8.8 Woo werkelijk limitatief, of kan ook buiten de bijlage een lex specialis-uitzondering worden aangenomen op grond van wetgeversbedoeling en de uitputtende aard van een sectorale regeling?