JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2025:6394Laag28/100

Boete voor asbestverwijdering deels vernietigd wegens onjuiste grondslag

ECLI:NL:RVS:2025:6394, Raad van State, 24-12-2025, 202405065/1/A2

Raad van StateUitspraak: 24 december 2025Publicatie: 24 december 2025
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:202405065/1/A2
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Handhaving
Vergunningen
Bouw
Bestuurlijke Boete
Asbestsanering
Asbest
Arbobesluit
Inspectie Szw

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 2 augustus 2022 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan [appellant sub II] een bestuurlijke boete opgelegd van € 13.500,00 vanwege zeven overtredingen van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Ook heeft de minister besloten om een aantal inspectiegegevens openbaar te maken op de website van Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid en via een persbericht. [appellant sub II] is eigenaar van de [eenmanszaak]. In opdracht van CEBE Vastgoed B.V. heeft hij in de periode van 23 augustus 2021 tot 23 september 2021 samen met een via een uitzendbureau ingeleende werknemer renovatiewerkzaamheden in de appartementen aan de Parallelweg 4 en 46 in Wolfheze verricht. Bij deze werkzaamheden zijn asbesthoudende plafonds, ontluchtingsbuizen en beglazingskit verwijderd. Naar aanleiding van een melding heeft een arbeidsinspecteur van de Inspectie SZW op 23 september 2021 een inspectie uitgevoerd en aanvullend onderzoek verricht. Daarvan heeft de arbeidsinspecteur op 20 december 2021 een boeterapport opgemaakt. De minister betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat een overtreding van artikel 4.48a, eerste lid, van het Arbobesluit niet is vast komen te staan.

Kern van de zaak

Een eigenaar van een eenmanszaak heeft in 2021 asbesthoudende materialen verwijderd in appartementen in Wolfheze, zonder de vereiste certificering. De Inspectie SZW legde hem een boete op wegens overtreding van het Arbobesluit. De ondernemer ging in beroep en betwistte zowel de juridische grondslag van een deel van de boete als de hoogte daarvan.

Beslissing van de rechter

De Raad van State bevestigt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat artikel 4.48a, eerste lid, van het Arbobesluit niet is overtreden, omdat dit artikel alleen van toepassing is nadat preventieve maatregelen uit paragraaf 3 zijn getroffen en die hier ontbreken. De boete is op dit onderdeel ten onrechte opgelegd; de overige boetes blijven in stand ondanks het beroep op cumulatie en analfabetisme.

28van 100

Impactscore

Laag

De uitspraak heeft beperkte precedentwerking: zij verduidelijkt de systematiek van een specifiek artikel van het Arbobesluit, maar stelt geen nieuwe rechtsnormen en betreft een feitelijk relatief eenvoudige zaak op het niveau van de Raad van State.

Belangrijkste punten

  • 1Artikel 4.48a, eerste lid, Arbobesluit is pas van toepassing wanneer preventieve maatregelen uit paragraaf 3 zijn getroffen maar de grenswaarde toch overschreden dreigt te worden.
  • 2Omdat appellant geen preventieve maatregelen had genomen, kon hij artikel 4.48a niet overtreden hebben; die boetegrondslag verviel.
  • 3De minister had de boete al met 5% gematigd tot € 12.825,- wegens overschrijding van de redelijke termijn tussen boeterapport en boetekennisgeving.
  • 4Het beroep op cumulatie van boetes als onevenredigheidsgrond werd verworpen: appellant wist dat er asbest aanwezig was.
  • 5Analfabetisme werd niet als disculpatiegrond aanvaard voor de overige overtredingen.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak verduidelijkt de toepassingsvoorwaarden van artikel 4.48a Arbobesluit: dit artikel heeft een subsidiair karakter en kan alleen worden overtreden als eerst de preventieve maatregelen van paragraaf 3 zijn getroffen. Dit beperkt de reikwijdte van handhaving op dit specifieke artikel.

Praktische impact

Voor de betrokken ondernemer betekent dit een gedeeltelijke verlichting van de boete; voor de handhavingspraktijk van de Inspectie SZW impliceert het dat bij asbestverwijdering zorgvuldig moet worden vastgesteld welk artikel van het Arbobesluit is overtreden en of aan de voorwaarden voor toepassing is voldaan.

Onderwerp-impact

In de bouwsector onderstreept deze uitspraak het belang van correcte juridische kwalificatie van overtredingen bij asbestsanering, en benadrukt dat de volgorde van verplichtingen in het Arbobesluit bepalend is voor de toepasselijke boetegrondslag.

Samenvatting

Deze zaak betreft een eigenaar van een eenmanszaak die in de zomer van 2021 in opdracht van een vastgoedbedrijf renovatiewerkzaamheden uitvoerde in appartementen in Wolfheze. Daarbij werden asbesthoudende plafonds, ontluchtingsbuizen en beglazingskit verwijderd zonder dat de vereiste certificering of beschermingsmaatregelen waren getroffen. Na een inspectie door de Inspectie SZW en een boeterapport in december 2021 legde de minister hem een boete op wegens meerdere overtredingen van het Arbobesluit. De boete werd wegens een termijnoverschrijding met 5% gematigd tot € 12.825,-. De centrale juridische vraag was of artikel 4.48a, eerste lid, van het Arbobesluit ook kon worden overtreden door iemand die in het geheel geen preventieve maatregelen had getroffen. De rechtbank oordeelde van niet: dit artikel is systematisch subsidiair aan paragraaf 3 van het Arbobesluit en ziet op aanvullende beschermingsmaatregelen die pas aan de orde komen als ondanks genomen preventieve maatregelen de grenswaarde dreigt te worden overschreden. Nu appellant überhaupt geen preventieve maatregelen had getroffen, kon hij dit artikel niet overtreden. De boete op die grondslag was dan ook ten onrechte opgelegd. De Raad van State bevestigt dit oordeel. Het beroep op de onevenredigheid van de cumulatie van boetes werd afgewezen: appellant wist dat er asbest aanwezig was en zijn analfabetisme werd niet als rechtvaardigingsgrond aanvaard voor de overige overtredingen. De uitspraak heeft beperkte maar nuttige verduidelijkende waarde voor de handhavingspraktijk bij asbestsanering in de bouwsector.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 19 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5339Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5339, Raad van State, 09-09-2026, 202500974/1/R3

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5326Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5326, Raad van State, 09-09-2026, 202505339/1/R3

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5361Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5361, Raad van State, 09-09-2026, 202503177/1/R1

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5354Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5354, Raad van State, 09-09-2026, 202406781/1/A3

Raad van State9 sep 2026OverheidVergunningen
18/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied