Handhaving recreatiewoning ondanks EVRM-beroep op kleinzoon
ECLI:NL:RVS:2025:6373, Raad van State, 24-12-2025, 202301776/1/R3 en 202400520/1/R3
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij brief van 28 april 2022 heeft het college van Westvoorne aan [appellant A] medegedeeld dat de aan hem verleende persoonsgebonden gedoogbeslissing om permanent te wonen op het adres [locatie] (hierna: het perceel) in Oostvoorne is ingetrokken. [appellant A] is eigenaar van de recreatiewoning op het adres [locatie] in Oostvoorne. [appellant B] woont samen met zijn kleinzoon in deze recreatiewoning. Het college heeft aan [appellant B] een last onder dwangsom opgelegd omdat de bewoning door [appellant B] in strijd is met het bestemmingsplan "Omgevingsplan buitengebied Westvoorne" (hierna: het bestemmingsplan). Daarnaast heeft het college aan [appellant A] een last onder dwangsom opgelegd, omdat deze volgens het college de recreatiewoning laat gebruiken in strijd met het bestemmingsplan. Hierdoor overtreden [appellant B] en [appellant A] volgens het college ieder artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. Door de recreatiewoning door van [appellant B] te laten bewonen, heeft [appellant A] volgens het college ook de voorwaarden van een aan hem gerichte persoonsgebonden gedoogbeslissing overtreden.
Kern van de zaak
Eigenaar en bewoner van een recreatiewoning in Oostvoorne kregen elk een last onder dwangsom opgelegd wegens bewoning in strijd met het bestemmingsplan. De bewoner (appellant B) woonde samen met zijn minderjarige kleinzoon in de woning. Beide appellanten gingen in hoger beroep bij de Raad van State.
Beslissing van de rechter
De Raad van State wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af, omdat die termijn nog niet was overschreden. Het beroep van appellant B op artikel 3 IVRK en artikel 8 EVRM ter bescherming van zijn inwonende kleinzoon wordt verworpen; handhavend optreden blijft in stand.
Impactscore
MiddelDe uitspraak bevat geen fundamenteel nieuwe rechtsregels maar bevestigt bestaande handhavingspraktijk en overgangsrecht Omgevingswet; de casuïstische aard beperkt de bredere precedentwerking.
Belangrijkste punten
- 1Op de vóór 1 januari 2024 opgelegde lasten onder dwangsom blijft het oude recht (Wabo) van toepassing op grond van het overgangsrecht van de Invoeringswet Omgevingswet.
- 2Bewoning van een recreatiewoning in strijd met het bestemmingsplan levert een overtreding op van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, Wabo.
- 3De persoonsgebonden gedoogbeslissing van appellant A is ingetrokken omdat hij de woning door appellant B liet bewonen, waarmee hij de voorwaarden schond.
- 4Het beroep op artikel 3 IVRK (belang van het kind) en artikel 8 EVRM (gezinsleven) vanwege de aanwezigheid van een minderjarige kleinzoon leidt niet tot het oordeel dat handhaving onrechtmatig is.
- 5Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen omdat die termijn op het moment van uitspraak nog niet was verstreken.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat een beroep op het IVRK en artikel 8 EVRM de aanwezigheid van een minderjarig kind in een illegaal bewoonde recreatiewoning in beginsel niet voldoende is om handhaving te blokkeren. Tevens verduidelijkt de uitspraak de toepassing van het overgangsrecht bij vóór 1 januari 2024 opgelegde lasten onder dwangsom.
Praktische impact
Appellant B en zijn kleinzoon zullen de recreatiewoning moeten verlaten om verbeurte van dwangsommen te voorkomen. Appellant A verliest zijn persoonsgebonden gedoogbeslissing en staat bloot aan handhaving als eigenaar.
Onderwerp-impact
De uitspraak onderstreept dat gemeenten ook bij aanwezigheid van minderjarige kinderen handhavend kunnen optreden tegen permanente bewoning van recreatiewoningen, mits de belangenafweging deugdelijk is gemotiveerd.
Samenvatting
Deze zaak betreft twee lasten onder dwangsom die het college van burgemeester en wethouders in april 2022 heeft opgelegd aan de eigenaar (appellant A) en de feitelijke bewoner (appellant B) van een recreatiewoning in Oostvoorne. Appellant B woonde samen met zijn minderjarige kleinzoon in de woning, die op grond van het bestemmingsplan uitsluitend voor recreatief gebruik is bestemd. De bewoning is daarmee in strijd met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. Omdat de lasten vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 zijn opgelegd, blijft op grond van het overgangsrecht van de Invoeringswet Omgevingswet het oude recht van toepassing totdat de last volledig is uitgevoerd of opgeheven. Appellant A had eerder een persoonsgebonden gedoogbeslissing verkregen, maar door de woning aan appellant B beschikbaar te stellen voor permanente bewoning schond hij de daaraan verbonden voorwaarden. Het college heeft die gedoogbeslissing daarom ingetrokken. In hoger beroep betoogde appellant B dat handhaving in strijd is met artikel 3 van het IVRK (belang van het kind) en artikel 8 van het EVRM (recht op eerbiediging van gezins- en familieleven), omdat zijn inwonende kleinzoon door de handhaving gedwongen zou worden te verhuizen. De Raad van State verwerpt dit betoog: de aanwezigheid van een minderjarig kind is onvoldoende grond om handhaving achterwege te laten, mits het college een deugdelijke belangenafweging heeft gemaakt. Het verzoek van appellant A om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen, omdat die termijn op het moment van de uitspraak nog niet was verstreken. De Raad van State bevestigt daarmee het handhavingsbesluit van het college en laat de opgelegde lasten onder dwangsom in stand.