Hoge Raad: proceskostenvergoeding verplicht bij artikel 6:22 Awb
ECLI:NL:HR:2026:1289, Hoge Raad, 17-07-2026, 24/02999
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Art. 40, lid 2, Wet WOZ; art. 6:22 Awb; vergoeding griffierecht en proceskostenvergoeding; verwijzing naar ECLI:NL:HR:2025:106 en ECLI:NL:HR:2025:1823
Kern van de zaak
Een belanghebbende procedeert tegen een WOZ-beschikking waarbij de heffingsambtenaar artikel 40 lid 2 Wet WOZ heeft geschonden. Het Hof paste artikel 6:22 Awb toe (passeren gebrek) maar kende geen proceskostenvergoeding toe. Belanghebbende stelt in cassatie dat dit onjuist is.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad wijst het cassatieberoep toe en vernietigt de hofuitspraak: ook bij toepassing van artikel 6:22 Awb bestaat in de regel recht op vergoeding van griffierecht en proceskostenvergoeding, tenzij bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die de rechter uitdrukkelijk moet motiveren. De zaak wordt verwezen voor verdere behandeling.
Impactscore
RichtinggevendDe Hoge Raad stelt een duidelijke en breed toepasbare regel over de verhouding tussen artikel 6:22 Awb en de proceskostenvergoeding, die in alle bestuursrechtelijke procedures geldt en voor de WOZ-praktijk grote financiële consequenties heeft.
Belangrijkste punten
- 1Bij toepassing van artikel 6:22 Awb (passeren van een gebrek) bestaat in de regel recht op proceskostenvergoeding en vergoeding van griffierecht, ook als het bestreden besluit in stand blijft.
- 2Afwijking van dit uitgangspunt is slechts mogelijk bij bijzondere omstandigheden, die de rechter expliciet moet motiveren.
- 3Een schending van artikel 40 lid 2 Wet WOZ (verplichting tot verstrekken taxatieverslag e.d.) kan worden gepasseerd ex artikel 6:22 Awb indien de belanghebbende daardoor niet is benadeeld.
- 4Het Hof had geen bijzondere omstandigheden gemotiveerd voor het niet toekennen van een vergoeding, waardoor de uitspraak niet in stand kon blijven.
- 5De overige cassatiemiddelen behoeven geen behandeling; verwijzingshof beoordeelt tevens de vraag of artikel 40 lid 2 Wet WOZ is nageleefd.
Impactanalyse
Juridische impact
De Hoge Raad bevestigt en verduidelijkt de regel dat artikel 6:22 Awb de plicht tot proceskostenvergoeding en griffierechtvergoeding niet wegneemt, tenzij gemotiveerd bijzondere omstandigheden aanwezig zijn; dit geldt ook specifiek in WOZ-zaken. Dit arrest heeft richtinggevende werking voor alle bestuursrechtelijke procedures waarbij een gebrek wordt gepasseerd.
Praktische impact
Belanghebbenden die succesvol een gebrek in een WOZ-beschikking aanvoeren — ook als het besluit inhoudelijk in stand blijft — hebben in beginsel recht op vergoeding van proceskosten en griffierecht; heffingsambtenaren en rechters moeten hier voortaan standaard rekening mee houden.
Onderwerp-impact
In WOZ-procedures zullen gemeenten en heffingsambtenaren vaker worden veroordeeld in proceskosten, zelfs wanneer de WOZ-waarde zelf niet wordt aangepast; dit kan invloed hebben op de afhandeling van bezwaar- en beroepsprocedures door gemeenten.
Samenvatting
In deze zaak stond centraal of een belanghebbende recht heeft op vergoeding van griffierecht en proceskosten wanneer de bestuursrechter een gebrek in een WOZ-beschikking passeert op grond van artikel 6:22 Awb, en het besluit desondanks in stand laat. Het Hof had geoordeeld dat bij zo'n passeren geen aanleiding bestond voor een proceskostenvergoeding, omdat de belanghebbende door het gebrek niet was benadeeld en het besluit inhoudelijk in stand bleef. De Hoge Raad oordeelt anders. Zelfs wanneer een schending van artikel 40 lid 2 van de Wet WOZ — de verplichting van de heffingsambtenaar om op verzoek een taxatieverslag en vergelijkingsobjecten te verstrekken — met toepassing van artikel 6:22 Awb wordt gepasseerd en het bestreden besluit in stand blijft, bestaat in de regel recht op vergoeding van griffierecht en proceskostenvergoeding. Dit volgt uit het systeem van de Awb en de beschermingsgedachte achter de proceskostenvergoeding: het feit dat een overheidsorgaan een formeel gebrek heeft begaan dat de burger noopte tot procederen, rechtvaardigt compensatie. Afwijking van dit uitgangspunt is slechts mogelijk indien er bijzondere omstandigheden aanwezig zijn. In dat geval rust op de rechter een motiveringsplicht: hij moet uitdrukkelijk uiteenzetten waarom hij afziet van de vergoeding. Het Hof had dit nagelaten, zodat de uitspraak niet in stand kon blijven. De Hoge Raad vernietigt de hofuitspraak en verwijst de zaak naar een ander gerechtshof, dat opnieuw moet beoordelen of de heffingsambtenaar heeft voldaan aan zijn verplichtingen op grond van artikel 40 lid 2 Wet WOZ, en of (en in welke omvang) een proceskostenvergoeding moet worden toegekend. Het bestuur wordt veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Dit arrest heeft betekenis voor alle bestuursrechtelijke procedures waarbij artikel 6:22 Awb wordt toegepast.