RvS vernietigt boete verhuurder die dakloze familie hielp
ECLI:NL:RVS:2025:6336, Raad van State, 24-12-2025, 202406302/1/A2
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 4 oktober 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag een boete van € 10.000,00 opgelegd aan [appellant] voor het in gebruik geven van een woning aan personen die niet over een huisvestingsvergunning beschikken. [appellant] is eigenaar van de woning aan [locatie]. Vanaf 2021 heeft [appellant] de woning ter beschikking gesteld aan een samengesteld gezin uit Litouwen dat dakloos was. Het ging destijds om mevrouw [persoon A], haar toenmalige echtgenoot de heer [persoon B] en een kind. [persoon A] heeft daarna nog een kind gekregen. Op 8 augustus 2022 heeft een inspecteur van de Haagse Pandbrigade de woning onderzocht. De inspecteur heeft vastgesteld dat het gezin niet beschikte over een verplichte huisvestingsvergunning. Uit het sanctierapport blijkt dat de woning 180 huurpunten heeft en voor de verhuur van een woonruimte met minder dan 185 huurpunten een huisvestingsvergunning vereist is. [appellant] voert aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het aandeel van het CJG en het college in de ontstane situatie onvoldoende is onderzocht.
Kern van de zaak
Een Haagse woningeigenaar verhuurde zijn woning aan een dakloze Litouwse familie zonder huisvestingsvergunning. De gemeente Den Haag legde een boete op van €10.000 wegens bedrijfsmatige exploitatie, omdat de eigenaar 11 panden verhuurde. De eigenaar tekende beroep aan en stelde dat zijn hulpverlenende intentie en de noodsituatie matiging rechtvaardigden.
Beslissing van de rechter
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en herroept het boetebesluit. De doorslaggevende reden is dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met de bijzondere omstandigheden van het geval bij de toepassing van artikel 5:46, derde lid, Awb.
Impactscore
MiddelDe uitspraak heeft praktische betekenis voor de handhaving van huisvestingsverordeningen en de toepassing van matigingsbevoegdheden bij bestuurlijke boetes, maar betreft een feitelijk oordeel in een individuele zaak zonder fundamenteel nieuwe rechtsregels.
Belangrijkste punten
- 1Verhuurder gaf woning zonder huisvestingsvergunning in gebruik aan een dakloze familie in nood, wat in strijd is met de Huisvestingswet 2014 en de Haagse Huisvestingsverordening
- 2Het college kwalificeerde de overtreding als bedrijfsmatige exploitatie op grond van eigendom van 11 verhuurde panden, wat leidde tot een boete van €10.000
- 3De Raad van State oordeelt dat het college ten onrechte geen matiging heeft toegepast op basis van artikel 5:46 lid 3 Awb ondanks de bijzondere humanitaire omstandigheden
- 4De rechtbank werd op het punt van de instandlating van rechtsgevolgen en het ongegrond verklaren van het beroep tegen het besluit van 22 februari 2024 gecorrigeerd
- 5Het boetebesluit werd door de Afdeling zelf herroepen, wat een definitieve beslechting van het geschil betekent
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak verduidelijkt dat bestuursorganen bij het opleggen van bestuurlijke boetes op grond van artikel 5:46 lid 3 Awb ook bij bedrijfsmatige verhuurders oog moeten hebben voor humanitaire omstandigheden en hulpverlenende intenties als matigingsgrond. Dit stelt grenzen aan de automatische toepassing van boetenormen bij bedrijfsmatige exploitatie.
Praktische impact
Verhuurders die in noodsituaties woonruimte beschikbaar stellen zonder vergunning lopen minder risico op een volledige boete als zij aantoonbaar handelden vanuit humanitaire motieven; gemeenten moeten voortaan zorgvuldiger de bijzondere omstandigheden meewegen alvorens een boete op te leggen.
Onderwerp-impact
Voor de Haagse huisvestingspraktijk betekent dit dat de Pandbrigade bij handhaving van de vergunningsplicht meer maatwerk moet betrachten, en dat verhuurders die daklozen opvangen niet zonder meer gelijkgesteld mogen worden aan malafide verhuurders.
Samenvatting
Deze zaak draait om een Haagse woningeigenaar die vanaf 2021 zijn woning zonder huisvestingsvergunning ter beschikking stelde aan een dakloze Litouwse familie. Een inspecteur van de Haagse Pandbrigade stelde in augustus 2022 vast dat de woning 180 huurpunten had en daarmee vergunningsplichtig was. Omdat de eigenaar aantoonbaar 11 panden verhuurde, kwalificeerde het college van burgemeester en wethouders van Den Haag de overtreding als bedrijfsmatige exploitatie en legde een boete op van €10.000 op grond van de Huisvestingswet 2014 en de Huisvestingsverordening Den Haag 2019. Het college weigerde de boete te matigen, ook al erkende het dat de verhuurder handelde uit hulpbereidheid richting mensen in een noodsituatie. De rechtbank liet de rechtsgevolgen van het boetebesluit aanvankelijk in stand en verklaarde het beroep tegen het latere aanvullingsbesluit ongegrond. De eigenaar stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond. Zij oordeelt dat het college bij de beoordeling of matiging op zijn plaats is op grond van artikel 5:46, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de bijzondere omstandigheden van het geval: de verhuurder stelde zijn woning beschikbaar aan een dakloze familie in een acute noodsituatie, uit hulpvaardigheid en zonder winstoogmerk als primair motief. Het feit dat iemand meerdere panden verhuurt en daarmee formeel bedrijfsmatig handelt, ontslaat het bestuursorgaan niet van de plicht tot een zorgvuldige individuele afweging bij de boeteoplegging. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank op de relevante onderdelen, verklaart het beroep gegrond, vernietigt het boetebesluit van 22 februari 2024 en herroept het onderliggende boetebesluit zelf, waarmee het geschil definitief wordt beslecht zonder terugverwijzing.