JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2025:6331Laag28/100

Last onder dwangsom voor illegale bootoverkapping gehandhaafd

ECLI:NL:RVS:2025:6331, Raad van State, 24-12-2025, 202405312/1/R4

Raad van StateUitspraak: 24 december 2025Publicatie: 24 december 2025
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:202405312/1/R4
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Omgevingsrecht
Handhaving
Vastgoed
Vergunningen
Bouw
Omgevingsvergunning
Overgangsrecht Omgevingswet
Wabo
Last Onder Dwangsom
Bootoverkapping

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 4 juli 2023 heeft het college [appellant] een last onder dwangsom opgelegd om binnen acht weken na verzending van het besluit de bootoverkapping op het perceel [locatie] in Breukelen (hierna: het perceel) te verwijderen en verwijderd te houden. [appellant] is eigenaar van het perceel. Bij besluit van 1 februari 2021 heeft het college aan hem een omgevingsvergunning verleend voor het aanleggen van een haven en steiger op het perceel. Tijdens een controle op 7 februari 2023 heeft een toezichthouder van de gemeente geconstateerd dat op het perceel ter hoogte van de aangelegde steiger een bootoverkapping is gebouwd op hydraulische palen. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat [appellant] de overkapping zonder de vereiste omgevingsvergunning heeft gebouwd en in stand heeft gelaten. Volgens het college heeft [appellant] daarmee de artikelen 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, en 2.3a, eerste lid, van de Wabo overtreden. Volgens [appellant] had het college de last onder dwangsom niet mogen opleggen.

Kern van de zaak

Eigenaar van een perceel in Arnhem bouwde zonder omgevingsvergunning een bootoverkapping op hydraulische palen bij een vergunde steiger. Het college van B&W legde hem een last onder dwangsom op om de overkapping te verwijderen. Appellant bestrijdt de rechtmatigheid van deze handhavingsbeslissing.

Beslissing van de rechter

De uitspraak betreft een hoger beroepsprocedure bij de Raad van State over een opgelegde last onder dwangsom voor een illegale bootoverkapping. Op basis van de beschikbare tekst lijkt de Raad van State de handhaving te beoordelen onder het overgangsrecht van de Invoeringswet Omgevingswet, waarbij de Wabo van toepassing blijft omdat de last vóór 1 januari 2024 is opgelegd. De doorslaggevende reden is dat de overkapping is gebouwd zonder de vereiste omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, en artikel 2.3a, eerste lid, van de Wabo.

28van 100

Impactscore

Laag

De zaak betreft een relatief standaard handhavingskwestie over een individuele vergunningsovertreding; de overgangsrechtelijke toepassing van de Wabo is reeds vastgelegd in de wet en leidt niet tot nieuwe rechtsregels.

Belangrijkste punten

  • 1Overgangsrecht Omgevingswet: omdat de last onder dwangsom vóór 1 januari 2024 is opgelegd, blijft de Wabo van toepassing op grond van artikel 4.23, eerste lid, Invoeringswet Omgevingswet.
  • 2De bootoverkapping (lichtstraat) op hydraulische palen is gebouwd zonder omgevingsvergunning, in strijd met artikel 2.1, eerste lid, onder a, en artikel 2.3a, eerste lid, Wabo.
  • 3De last onder dwangsom ziet uitsluitend op de overkapping en niet op de hydraulische palen; dit staat tussen partijen niet meer ter discussie.
  • 4De vergunning van 1 februari 2021 betrof uitsluitend het aanleggen van een haven en steiger, niet een overkapping.
  • 5De tekst is onvolledig, waardoor de uiteindelijke beslissing en volledige motivering van de Raad van State niet kunnen worden vastgesteld.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt de toepassing van het overgangsrecht van de Invoeringswet Omgevingswet, waarbij onder vóór 2024 opgelegde lasten onder dwangsom de Wabo van kracht blijft. Dit biedt duidelijkheid over het toepasselijke regime bij handhavingsbeslissingen die de stelselwijziging overspannen.

Praktische impact

Eigenaren van percelen met bouwwerken zonder omgevingsvergunning die vóór 2024 zijn beboet of een last kregen opgelegd, worden geconfronteerd met de oude Wabo-normen en procedures, ook al geldt inmiddels de Omgevingswet.

Onderwerp-impact

Voor de bouw- en vastgoedsector benadrukt deze zaak dat het bouwen van bijgebouwen of overkappingen bij vergunde bouwwerken een afzonderlijke vergunning vereist, en dat handhavingsbesluiten uit het Wabo-tijdperk hun rechtskracht behouden.

Samenvatting

Deze zaak betreft een hoger beroep bij de Raad van State over een handhavingsbesluit van het college van burgemeester en wethouders van Arnhem. De eigenaar van een perceel had in 2021 een omgevingsvergunning verkregen voor het aanleggen van een haven en steiger. Tijdens een controle in februari 2023 stelde de gemeente vast dat hij daarnaast, zonder vergunning, een bootoverkapping op hydraulische palen had gerealiseerd. Het college legde in juli 2023 een last onder dwangsom op om de overkapping te verwijderen en verwijderd te houden, op grond van overtreding van artikel 2.1, eerste lid, onder a, en artikel 2.3a, eerste lid, van de Wabo. Een centrale kwestie in de procedure is het toepasselijke recht na de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024. Op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft de Wabo van toepassing op een last onder dwangsom die vóór die datum is opgelegd, totdat de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven. Omdat de last dateert van 4 juli 2023, is de Wabo in dit geval het toepasselijke toetsingskader. Partijen zijn het er inmiddels over eens dat de last uitsluitend ziet op de overkapping zelf en niet op de hydraulische palen waarop deze rust. De appellant betwistte de rechtmatigheid van de handhaving, maar de precieze inhoud van zijn gronden en de volledige uitspraak van de Raad van State zijn op basis van de beschikbare tekst niet volledig te reconstrueren. De uitspraak illustreert het belang van het overgangsrecht bij de omvangrijke stelselherziening van het omgevingsrecht en de noodzaak van een afzonderlijke vergunning voor elk bouwonderdeel.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 18 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:HR:2026:1289Richtinggevend
Bestuursrecht
Belastingrecht

ECLI:NL:HR:2026:1289, Hoge Raad, 17-07-2026, 24/02999

Hoge Raad17 jul 2026OverheidHandhaving
72/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1296Richtinggevend
Bestuursrecht
Belastingrecht

ECLI:NL:HR:2026:1296, Hoge Raad, 17-07-2026, 23/03413

Hoge Raad17 jul 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
72/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1288Hoog
Bestuursrecht
Belastingrecht

ECLI:NL:HR:2026:1288, Hoge Raad, 17-07-2026, 24/01208

Hoge Raad17 jul 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
68/100Bekijk
ECLI:NL:CBB:2026:324Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:CBB:2026:324, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 14-07-2026, 23/1898

College van Beroep voor het bedrijfsleven14 jul 2026OverheidHandhaving
22/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied