Genocideverdrag geeft geen recht op verblijfsvergunning
ECLI:NL:RVS:2025:6050, Raad van State, 16-12-2025, BRS.25.000985
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 28 maart 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om appellanten een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Kern van de zaak
Appellanten vroegen een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aan en beriepen zich daarbij op de verplichting van de minister om genocide te voorkomen op grond van artikel 1 van het Genocideverdrag. De rechtbank wees dit af, waarna appellanten in hoger beroep gingen bij de Raad van State.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Doorslaggevend is dat artikel 1 van het Genocideverdrag geen rechtstreekse werking heeft in de nationale rechtsorde, omdat de daarin neergelegde inspanningsverplichting om genocide te voorkomen niet onvoorwaardelijk en niet voldoende nauwkeurig is om zonder meer als objectief recht te worden toegepast.
Impactscore
MiddelDe uitspraak bevestigt en consolideert bestaande jurisprudentie over rechtstreekse werking van verdragsbepalingen, maar introduceert geen nieuwe rechtsregel; de relevantie is beperkt tot vergelijkbare vreemdelingenzaken waarbij een beroep wordt gedaan op het Genocideverdrag.
Belangrijkste punten
- 1Artikel 1 van het Genocideverdrag heeft geen rechtstreekse werking in de Nederlandse rechtsorde.
- 2Een inspanningsverplichting die niet onvoorwaardelijk en niet voldoende nauwkeurig is geformuleerd, kan niet als objectief recht worden toegepast.
- 3De minister is op grond van het Genocideverdrag niet verplicht een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) af te geven.
- 4De Afdeling sluit aan bij haar eerdere uitspraak van 22 juni 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1716) en het Hoge Raad-arrest van 19 juli 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1223).
- 5De tweede en derde grief behoeven geen nadere motivering omdat zij geen vragen van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming opwerpen (artikel 91 lid 2 Vw 2000).
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat verdragsbepalingen met een inspanningskarakter geen rechtstreekse werking hebben en dus geen individuele aanspraken in vreemdelingenzaken kunnen grondvesten. Dit sluit aan bij bestaande jurisprudentie van zowel de Afdeling als de Hoge Raad.
Praktische impact
Vreemdelingen kunnen zich niet met succes beroepen op het Genocideverdrag om een verblijfsvergunning of mvv af te dwingen; de minister behoudt zijn discretionaire bevoegdheid in dergelijke gevallen volledig.
Onderwerp-impact
Voor de vreemdelingenrechtpraktijk betekent dit dat een beroep op internationaal humanitair of genocide-gerelateerd verdragsrecht als zelfstandige grondslag voor een verblijfsrecht ook in hoger beroep kansloos is zonder rechtstreeks werkende norm.
Samenvatting
In deze zaak verzochten appellanten om een machtiging tot voorlopig verblijf en baseerden zij hun aanspraak mede op artikel 1 van het Genocideverdrag, dat staten verplicht genocide te voorkomen. De rechtbank wees de vordering af, waarna appellanten in hoger beroep gingen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De centrale juridische vraag was of artikel 1 van het Genocideverdrag rechtstreekse werking heeft in de Nederlandse rechtsorde, zodat individuen er een afdwingbaar recht op een verblijfsvergunning aan kunnen ontlenen. De Afdeling beantwoordt deze vraag ontkennend. Zij stelt vast dat de in artikel 1 Genocideverdrag neergelegde inspanningsverplichting om genocide te voorkomen niet onvoorwaardelijk en niet voldoende nauwkeurig geformuleerd is om in de nationale rechtsorde zonder meer als objectief recht te kunnen worden toegepast. Aan de criteria voor rechtstreekse werking — namelijk dat een verdragsbepaling een ieder verbindend en voldoende precies is — wordt dus niet voldaan. Appellanten kunnen daarom geen geslaagd beroep doen op deze bepaling om een mvv af te dwingen. De Afdeling verwijst ter ondersteuning naar haar eerdere uitspraak van 22 juni 2022 en het arrest van de Hoge Raad van 19 juli 2019, waaruit dezelfde lijn reeds volgt. De tweede en derde grief worden verworpen met toepassing van artikel 91 lid 2 Vw 2000, de zogeheten verkorte motivering, omdat zij geen vragen opwerpen die in het belang van de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord moeten worden. Het hoger beroep is ongegrond en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De uitspraak bevestigt daarmee de bestaande jurisprudentielijn dat verdragsrechtelijke inspanningsverplichtingen geen individuele verblijfsaanspraken in het leven roepen.