Koerdische Syriër krijgt geen asiel ondanks discriminatieklachten
ECLI:NL:RBDHA:2026:30163, Rechtbank Den Haag, 13-10-2026, NL26.28110
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Asiel, Syrië, 15c en artikel 3 EVRM. Adequate opvang - de minister heeft onvoldoende gemotiveerd dat ten tijde van de minderjarigheid van eiser sprake was van adequate opvang. Beroep gegrond, vernietiging van het besluit voor zover dat ziet op het opleggen van een terugkeerbesluit en het weigeren van een vergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid amv. Voor het overige blijft het besluit in stand.
Kern van de zaak
Een Koerdische Syriër uit Kobani (regio Aleppo) heeft asiel aangevraagd in Nederland. Hij stelt te worden gediscrimineerd vanwege zijn etniciteit en zijn vader is daarom gedetineerd geweest. Bovendien vreest hij gedwongen militaire dienstplicht in Kobani bij terugkeer.
Beslissing van de rechter
De rechtbank oordeelt dat het asielverzoek is afgewezen; de minister heeft de identiteit en discriminatieklachten geloofwaardig geacht maar niet aannemelijk geacht dat sprake is van gegronde vrees voor vervolging. Doorslaggevend is dat gedwongen rekrutering in Kobani niet aannemelijk is gemaakt, het niveau van willekeurig geweld in Syrië relatief laag wordt geacht en terugkeer niet in strijd is met artikel 3 EVRM, mede op basis van een recente EHRM-beslissing.
Impactscore
MiddelDe uitspraak past binnen bestaande jurisprudentielijnen maar is relevant vanwege de expliciete toepassing van de nieuwe EHRM-beslissing van september 2025 over Syrische uitzettingen, wat voor de praktijk van betekenis is voor een grote groep asielzoekers.
Belangrijkste punten
- 1Identiteit, nationaliteit, herkomst en discriminatie op basis van Koerdische etniciteit worden geloofwaardig geacht, maar leiden niet tot gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag.
- 2Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat in Kobani (Koerdisch gebied) sprake is van verplichte militaire dienst of gedwongen rekrutering.
- 3De minister en rechtbank oordelen dat het niveau van willekeurig geweld in Syrië en de regio Aleppo relatief laag is; individuele omstandigheden zijn onvoldoende aangetoond.
- 4Het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen is niet van toepassing omdat adequate opvang in Syrië aanwezig wordt geacht.
- 5Terugkeer is niet in strijd met artikel 3 EVRM, mede gelet op de EHRM-beslissing van 24 september 2025 waarbij uitzetting van een Syrische vreemdeling werd toegestaan na niet-verlenging van de Rule 39-maatregel.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat geloofwaardig bevonden discriminatie op etnische grond op zichzelf onvoldoende is voor vluchtelingenstatus en dat de recente EHRM-beslissing van september 2025 over Syrische uitzettingen actief wordt ingezet als grondslag voor artikel 3 EVRM-toetsing.
Praktische impact
Eiser krijgt geen verblijfsvergunning asiel en staat voor een mogelijke gedwongen terugkeer naar Syrië; Koerdische asielzoekers uit vergelijkbare regio's zullen concrete bewijzen van rekrutering of individuele gevaren moeten aanleveren.
Onderwerp-impact
Voor Koerdische Syriërs met vergelijkbare asielmotieven (discriminatie, militaire dienstplicht in Koerdisch gebied) signaleert deze uitspraak een hoge bewijslast; de verwijzing naar de EHRM Rule 39-beslissing van september 2025 markeert een mogelijke versoepling van de bescherming voor Syrische asielzoekers.
Samenvatting
Een Koerdische man uit Kobani, in de Syrische regio Aleppo, heeft in Nederland asiel aangevraagd. Hij onderbouwt zijn aanvraag met twee hoofdmotieven: ernstige discriminatie vanwege zijn Koerdische etniciteit — zijn vader werd om die reden gedetineerd — en vrees voor gedwongen militaire dienstplicht bij terugkeer naar zijn woonplaats. De minister heeft zijn identiteit, nationaliteit en herkomst als geloofwaardig aangemerkt, en heeft de gestelde discriminatie eveneens geloofwaardig geacht. Toch is de asielaanvraag afgewezen. De kern van het geschil ligt in de vraag of eiser gegronde vrees voor vervolging heeft aangetoond en of terugkeer in strijd is met artikel 3 van het EVRM. De rechtbank volgt de minister in het oordeel dat geloofwaardige discriminatie op zichzelf onvoldoende is voor vluchtelingenstatus: er is geen aannemelijke individuele vervolgingsgrond vastgesteld. Ten aanzien van de militaire dienstplicht oordeelt de minister dat in Syrië geen verplichte militaire dienst meer bestaat, en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit in het Koerdische gebied van Kobani wél het geval is. Ook het betoog over willekeurig geweld faalt: het geweldsniveau in Syrië en de regio Aleppo wordt als relatief laag gekwalificeerd en eiser heeft geen individuele omstandigheden aangevoerd die hem bijzonder kwetsbaar maken. Het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen is evenmin van toepassing, omdat de minister adequate opvang in Syrië aanwezig acht. Doorslaggevend voor de artikel 3 EVRM-toets is de verwijzing naar de EHRM-beslissing van 24 september 2025, waarbij de zogenoemde Rule 39-maatregel tegen uitzetting van een Syrische vreemdeling niet werd verlengd. Het EHRM oordeelde destijds dat terugkeer geen reëel en onmiddellijk risico op onherstelbare schending opleverde. De rechtbank bevestigt daarmee de afwijzing van de asielaanvraag. De uitspraak is relevant voor de bredere groep Koerdische Syriërs die soortgelijke motieven aanvoeren.