Mvv-vrijstelling afgewezen ondanks medische klachten en lang verblijf
ECLI:NL:RBDHA:2026:30151, Rechtbank Den Haag, 12-10-2026, NL23.35814 en NL25.8225 en NL25.8227
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag van eiseres om een verblijfsvergunning. De rechtbank komt samengevat tot het oordeel dat verweerder een nieuw besluit moet nemen, omdat niet alle omstandigheden zijn meegenomen bij de belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM en in het kader van de hardheidsclausule. Het beroep is gegrond.
Kern van de zaak
Een vrouw die naar eigen zeggen sinds 1991 in Nederland verblijft, slachtoffer van misbruik en huiselijk geweld en al jaren dakloos, vraagt een verblijfsvergunning aan zonder de vereiste machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). De minister wijst de aanvraag af en handhaaft dit in bezwaar. Eiseres stelt dat zij vrijgesteld had moeten worden van het mvv-vereiste vanwege medische omstandigheden, strijd met artikel 8 EVRM of de hardheidsclausule.
Beslissing van de rechter
De rechtbank wijst het beroep af en oordeelt dat geen grond bestaat voor vrijstelling van het mvv-vereiste; de verzoeken om voorlopige voorziening worden eveneens afgewezen, waarvan één wegens het per abuis inschrijven van een dubbele procedure. De minister wordt wel veroordeeld in de proceskosten van €2.802,-.
Impactscore
LaagDe uitspraak is een toepassing van bestaande regelgeving op een individueel geval en stelt geen nieuwe rechtsnormen; de zaak heeft beperkte precedentwerking maar illustreert de harde grenzen van het mvv-vereiste in schrijnende situaties.
Belangrijkste punten
- 1Centrale vraag is of eiseres vrijgesteld had moeten worden van het mvv-vereiste op medische gronden, artikel 8 EVRM of de hardheidsclausule.
- 2Eiseres verblijft naar eigen zeggen ruim 30 jaar in Nederland, was slachtoffer van mensenhandel, misbruik en huiselijk geweld, en is langdurig dakloos geweest.
- 3De rechtbank oordeelt dat de vrijstellingsgronden niet opgaan en handhaaft de afwijzing van de verblijfsvergunning.
- 4Eén van de twee voorlopige voorzieningverzoeken wordt afgewezen omdat het per abuis dubbel was ingeschreven.
- 5De minister wordt veroordeeld in proceskosten van €2.802,-, wat wijst op een formele procedurefout of andere grond voor kostenveroordeling ondanks ongegrond beroep.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de strikte toepassing van het mvv-vereiste en de beperkte reikwijdte van vrijstellingsgronden (medisch, artikel 8 EVRM, hardheidsclausule) in het vreemdelingenrecht, zonder nieuwe rechtsnormen te stellen. De kostenveroordeling ten laste van de minister verdient aandacht, omdat deze doorgaans volgt op een gegrond beroep.
Praktische impact
Eiseres krijgt geen verblijfsvergunning en blijft zonder rechtmatig verblijf in Nederland, ondanks een jarenlange feitelijke aanwezigheid en kwetsbare persoonlijke omstandigheden. Zij ontvangt wel een proceskostenvergoeding van €2.802,-.
Onderwerp-impact
Voor vreemdelingen in een vergelijkbare kwetsbare situatie (slachtoffers van misbruik, langdurig daklozen zonder rechtmatig verblijf) bevestigt deze uitspraak dat langdurig feitelijk verblijf en persoonlijk leed op zichzelf onvoldoende zijn om het mvv-vereiste te omzeilen.
Samenvatting
Deze zaak betreft een vrouw die stelt al sinds 1991 in Nederland te verblijven en een buitengewoon moeilijk leven heeft gehad: zij werd door een oom naar Nederland gehaald, misbruikt en uitgebuit, belandde op straat, trouwde vervolgens met een Nederlandse man maar verliet hem vanwege ernstige mishandeling, en is sindsdien decennialang dakloos geweest. Zij heeft nooit meer rechtmatig verblijf gehad na de intrekking van haar verblijfsvergunning in 1994. Eiseres diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, maar beschikte niet over de vereiste machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). De minister wees de aanvraag af en handhaafde dit in bezwaar. In beroep bij de Rechtbank Den Haag stond centraal of eiseres vrijgesteld had moeten worden van het mvv-vereiste: op medische gronden (reizen is niet verantwoord of behandeling is beschikbaar in Nederland), wegens strijd met artikel 8 EVRM (recht op privéleven), of op grond van de hardheidsclausule. De rechtbank oordeelt dat geen van deze vrijstellingsgronden slaagt en wijst het beroep af. De twee verzoeken om een voorlopige voorziening worden eveneens afgewezen: het eerste omdat de bodemprocedure al is beslist, het tweede omdat het per abuis dubbel was ingeschreven. Ondanks de afwijzing van het beroep veroordeelt de rechtbank de minister wel in de proceskosten van €2.802,-, een opvallend gegeven dat doorgaans wijst op een (deels) gegrond beroep of een procedurele fout aan de zijde van de overheid. De uitspraak illustreert de strakke toepassing van het mvv-vereiste en de beperkte ruimte die de wet biedt voor uitzonderingen, ook in schrijnende humanitaire situaties. Zij stelt geen nieuwe rechtsnormen en heeft daarmee een beperkte bredere juridische impact.