MVV-aanvraag Afghaanse moeder afgewezen wegens ontbrekend gezinsleven
ECLI:NL:RBDHA:2026:30096, Rechtbank Den Haag, 12-10-2026, NL25.29352
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)MK-uitspraak, 8 EVRM. De rechtbank komt tot het oordeel dat de minister ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat er geen sprake is van beschermenswaardig familie- of gezinsleven tussen eiseres en haar zoon en diens echtgenote, zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Ook heeft de minister ten onrechte geen familie- of gezinsleven aangenomen tussen eiseres en haar kleinkinderen. Het beroep is daarom gegrond. De minister moet opnieuw een besluit nemen.
Kern van de zaak
Een Afghaanse vrouw, gestelde moeder van een in Nederland verblijvende asielhouder, vraagt een machtiging tot voorlopig verblijf (MVV) op grond van artikel 8 EVRM. Haar zoon is in 2022 met zijn gezin uit Afghanistan geëvacueerd; eiseres is achtergebleven. De minister weigert de MVV omdat geen beschermenswaardig familie- of gezinsleven zou bestaan.
Beslissing van de rechter
De rechtbank buigt zich over de afwijzing van de MVV-aanvraag; de minister heeft de aanvraag afgewezen omdat niet is gebleken van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en referent c.q. zijn echtgenote, noch van hechte persoonlijke banden met de kleinkinderen. De doorslaggevende reden is het ontbreken van beschermenswaardig familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM (de uitkomst van de rechterlijke toetsing is op basis van de beschikbare tekst niet volledig vast te stellen).
Impactscore
LaagHet betreft een individuele eerste-aanleg uitspraak over een bekende toepassing van artikel 8 EVRM in vreemdelingenzaken; de uitspraak volgt bestaande rechtslijn zonder nieuwe rechtsnormen te stellen. De beschikbare tekst is bovendien onvolledig.
Belangrijkste punten
- 1Eiseres is de gestelde moeder van een in Nederland toegelaten asielhouder; familierechtelijke relatie is niet volledig aangetoond maar eiseres krijgt voordeel van de twijfel.
- 2Minister biedt geen nader (DNA-)onderzoek aan omdat dit de uitkomst niet zou wijzigen: artikel 8 EVRM-toets faalt reeds.
- 3Geen bijkomende elementen van afhankelijkheid vastgesteld tussen eiseres en referent/zijn echtgenotes.
- 4Geen hechte persoonlijke banden aangenomen tussen eiseres en haar (klein)kinderen ondanks eerdere samenwoning in Afghanistan tot 2022.
- 5De uitspraak is slechts gedeeltelijk beschikbaar; de definitieve rechterlijke beslissing en volledige motivering ontbreken in de aangeleverde tekst.
Impactanalyse
Juridische impact
De zaak bevestigt de strikte toepassing van de afhankelijkheidstoets onder artikel 8 EVRM bij 'meer dan gebruikelijke' gezinsbanden tussen meerderjarige kinderen en ouders in vreemdelingenrechtelijke procedures. De benadering dat voordeel van de twijfel bij documentgebrek de inhoudelijke EVRM-toets niet omzeilt, is juridisch relevant voor vergelijkbare MVV-zaken.
Praktische impact
Voor achtergebleven Afghaanse ouders van asielhouders in Nederland wordt bevestigd dat enkel familieverwantschap onvoldoende is voor een MVV; concrete afhankelijkheid of bijzondere persoonlijke banden moeten worden aangetoond, wat in de praktijk een hoge drempel vormt.
Onderwerp-impact
In de context van de Afghaanse evacuatiegolf (2021-2022) verduidelijkt deze uitspraak de beperkingen van gezinshereniging voor ouders van statushouders, een groep die structureel buiten de reguliere nareisnormen valt.
Samenvatting
In deze zaak heeft een Afghaanse vrouw – de gestelde moeder van een in Nederland verblijvende asielhouder – een machtiging tot voorlopig verblijf (MVV) aangevraagd op grond van artikel 8 EVRM (recht op gezinsleven). Haar zoon (referent) is in juni 2022 samen met zijn eerste echtgenote en vier kinderen uit Afghanistan geëvacueerd en heeft in Nederland een asielvergunning gekregen. Eiseres is in Afghanistan achtergebleven. Tot het vertrek woonden zij allen samen. De minister heeft de aanvraag afgewezen. Hoewel de familierechtelijke relatie niet volledig is aangetoond – documenten ontbreken, wat in de Afghaanse context begrijpelijk is – krijgt eiseres het voordeel van de twijfel. Nader onderzoek (zoals DNA-onderzoek) wordt echter niet aangeboden, omdat de minister oordeelt dat de uitkomst van de aanvraag daardoor niet anders zou worden. De kern van de afwijzing is gelegen in de artikel 8 EVRM-toets: er is geen sprake van beschermenswaardig familie- of gezinsleven. Concreet zijn geen bijkomende elementen van afhankelijkheid aangetoond tussen eiseres en referent dan wel zijn echtgenotes, en evenmin zijn hechte persoonlijke banden vastgesteld tussen eiseres en haar kleinkinderen. Rechtbank Den Haag buigt zich over deze afwijzing, maar de beschikbare uitspraaktekst is onvolledig: de volledige rechterlijke beoordeling en het dictum ontbreken. Op basis van de overwegingen staat vast dat de centrale juridische vraag is of de eerdere samenwoning en de familieband voldoende zijn voor beschermenswaardig gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM. De zaak illustreert de hoge praktische drempel voor ouders van statushouders bij gezinshereniging: louter bloedverwantschap en historische samenwoning zijn onvoldoende; concrete, actuele afhankelijkheid is vereist.