Asielaanvraag Palestijnse Gazaan ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard
ECLI:NL:RBDHA:2026:29057, Rechtbank Den Haag, 01-10-2026, NL26.46662 en NL26.46663
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Asiel. Niet-ontvankelijk artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, Vw. Griekse statushouder. IB 2026/1 zelfredzaamheid. Arrest Ibrahim. Artikel 4 Handvest. Artikel 3 EVRM. Beroep gegrond. De rechtbank is van oordeel dat de minister met IB 2026/1 en de overige overgelegde stukken niet heeft onderbouwd dat sprake is van een structurele verbetering voor Griekse statushouders ten opzichte van de situatie in 2021. Evenmin is voldoende gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Griekenland niet terechtkomt in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie die in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest.
Kern van de zaak
Een Palestijnse man uit Gaza vluchtte in februari 2024 vanwege de oorlog en verkreeg in oktober 2025 een vluchtelingenstatus in Griekenland. Na doorreis via Duitsland vroeg hij in maart 2026 asiel aan in Nederland, waarna de minister de aanvraag niet-ontvankelijk verklaarde omdat hij al internationale bescherming in Griekenland genoot.
Beslissing van de rechter
Het beroep is gegrond verklaard: de rechtbank oordeelt dat de minister de asielaanvraag ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en ondeugdelijk is gemotiveerd. De minister moet nu een inhoudelijk besluit nemen op de asielaanvraag.
Impactscore
MiddelDe uitspraak past in een bredere lijn van jurisprudentie over de ontvankelijkheid van asielaanvragen bij reeds verleende bescherming in een andere EU-staat, maar heeft beperkte precedentwerking nu het gaat om een lagere rechter die een motiveringsgebrek vaststelt zonder inhoudelijk te beslissen.
Belangrijkste punten
- 1De minister verklaarde de aanvraag niet-ontvankelijk op grond van art. 30a lid 1 sub a Vw 2000, omdat eiser al vluchtelingenstatus heeft in Griekenland (geldig tot 30 oktober 2028).
- 2De rechtbank oordeelt dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd, met name ten aanzien van de leefomstandigheden van statushouders in Griekenland.
- 3De minister heeft onvoldoende gemotiveerd dat de situatie voor statushouders in Griekenland niet leidt tot een risico op (zeer verregaande) materiële deprivatie.
- 4De rechtbank past geen bestuurlijke lus toe, omdat de zaak tot nu toe alleen over de ontvankelijkheid ging en een inhoudelijke beoordeling nu aan de minister is.
- 5Eiser wordt niet als kwetsbaar aangemerkt door de minister, maar de rechtbank acht de motivering omtrent zelfredzaamheid en basisvoorzieningenniveau in Griekenland ontoereikend.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat de minister bij toepassing van art. 30a lid 1 sub a Vw 2000 concrete en deugdelijke motivering moet leveren over de feitelijke leef- en beschermingssituatie van statushouders in het betreffende EU-land. Een verwijzing naar zelfredzaamheid en ngo-ondersteuning volstaat niet zonder nadere onderbouwing.
Praktische impact
De Palestijnse asielzoeker hoeft vooralsnog niet terug naar Griekenland en de minister moet opnieuw beslissen, ditmaal inhoudelijk op de asielaanvraag. Dit kan aanzienlijke vertraging in de procedure betekenen.
Onderwerp-impact
Voor Palestijnse statushouders uit Gaza die vanuit een ander EU-land naar Nederland doorreizen, benadrukt deze uitspraak dat de Nederlandse autoriteiten concrete aandacht moeten besteden aan de actuele situatie in het eerste asielland voordat een niet-ontvankelijkheid wordt uitgesproken.
Samenvatting
Een Palestijnse man afkomstig uit Gaza vluchtte in februari 2024 vanwege de oorlog en vroeg op 13 oktober 2025 asiel aan in Griekenland. De Griekse autoriteiten verleenden hem op 31 oktober 2025 een vluchtelingenstatus, geldig tot 30 oktober 2028. Na een kort verblijf in Griekenland reisde hij door naar Duitsland en vervolgens naar Nederland, waar hij op 4 maart 2026 een nieuwe asielaanvraag indiende. De minister van Asiel en Migratie verklaarde deze aanvraag niet-ontvankelijk op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat eiser reeds internationale bescherming geniet in Griekenland. De minister stelde dat eiser vanwege zijn verblijfsstatus aldaar een zodanige band met Griekenland heeft dat het redelijk is dat hij daarheen terugkeert, en dat hij in staat moet worden geacht in zijn basisbehoeften te voorzien, zo nodig met hulp van ngo's. Eiser betwistte dit standpunt en stelde dat de minister onvoldoende had gemotiveerd dat de situatie voor statushouders in Griekenland aanvaardbaar is. De Rechtbank Den Haag oordeelt dat het besluit van de minister onzorgvuldig tot stand is gekomen en ondeugdelijk is gemotiveerd. De motivering van de minister ten aanzien van de leef- en beschermingssituatie in Griekenland schiet tekort: een enkele verwijzing naar zelfredzaamheid, een geldige verblijfsvergunning en mogelijke ngo-ondersteuning volstaat niet om te concluderen dat eiser bij terugkeer niet in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie terechtkomt. Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd. De rechtbank past geen bestuurlijke lus toe en laat ook de rechtsgevolgen niet in stand, omdat de zaak tot dusver uitsluitend over de ontvankelijkheid ging. De minister zal nu inhoudelijk moeten beslissen op de asielaanvraag van eiser.