Beroep statushouder tegen overdracht naar Italië ongegrond
ECLI:NL:RBDHA:2026:28762, Rechtbank Den Haag, 15-09-2026, NL26.28989
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)De minister heeft de asielaanvraag van eiser terecht niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser een verblijfsvergunning heeft in Italië. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Italië een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.
Kern van de zaak
Een vreemdeling met een verblijfsvergunning in Italië verblijft sinds 2023 in Nederland en vecht zijn overdracht naar Italië aan. Hij stelt dat hij vanwege fysieke en mentale klachten bijzonder kwetsbaar is en bij terugkeer te maken krijgt met zeer verregaande materiële deprivatie in strijd met artikel 3 EVRM. Ook betoogt hij dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn worteling in Nederland.
Beslissing van de rechter
Het beroep is ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelt dat de verblijfsvergunning in Italië een zeer sterke band met dat land oplevert die zwaarder weegt dan de worteling in Nederland, en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling.
Impactscore
LaagDe uitspraak past naadloos binnen de bestaande Dublin- en EVRM-jurisprudentie en stelt geen nieuwe rechtsregels; de relevantie is beperkt tot de individuele zaak en vergelijkbare feitencomplexen.
Belangrijkste punten
- 1Een verblijfsvergunning in een EU-lidstaat wordt beschouwd als een zeer sterke band en zwaarwegend belang om naar dat land terug te keren (art. 3.106a lid 2 Vb).
- 2Verblijf in Nederland sinds 2023 doet niet af aan de juridische band met Italië als vergunninghoudende lidstaat.
- 3Eiser stelde dat de minister de bewijslast ten onrechte volledig bij hem legde, maar de rechtbank volgde dit betoog niet.
- 4Fysieke en mentale klachten en gestelde kwetsbaarheid in de zin van het Ibrahim-arrest leverden onvoldoende bewijs op voor een reëel artikel 3 EVRM-risico.
- 5De minister erkende weliswaar de problematische algemene situatie voor statushouders in Italië, maar dit is niet voldoende voor individuele bescherming.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt bestaande jurisprudentie dat een verblijfsvergunning in een andere EU-lidstaat een zwaarwegend aanknopingspunt vormt bij de Dublin-toets, en dat individuele kwetsbaarheid in de zin van Ibrahim nader onderbouwd moet worden met meer dan algemene landeninformatie.
Praktische impact
Eiser dient Nederland te verlaten richting Italië; hij ontvangt geen proceskostenvergoeding. Hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak is mogelijk binnen één week na verzending.
Onderwerp-impact
Voor statushouders die vanuit een andere EU-lidstaat naar Nederland zijn doorgereisd, onderstreept deze uitspraak dat de combinatie van een geldige verblijfsvergunning elders en onvoldoende individueel bewijs van artikel 3 EVRM-risico overdracht naar die lidstaat niet blokkeert.
Samenvatting
In deze zaak bij de Rechtbank Den Haag staat de overdracht van een vreemdeling aan Italië centraal. De eiser beschikt over een verblijfsvergunning in Italië, maar verblijft sinds 2023 feitelijk in Nederland en stelt dat overdracht in strijd is met zijn recht op eerbiediging van zijn opgebouwde banden in Nederland en met artikel 3 van het EVRM. Hij voert aan dat hij vanwege fysieke en mentale klachten niet kan werken en daardoor bij terugkeer in Italië in een situatie van ernstige materiële deprivatie terecht zal komen. Verder bekritiseert hij de bewijslastverdeling: de minister zou ten onrechte volledig van hem verlangen dat hij individueel bewijs levert, terwijl statushouders in Italië nauwelijks toegang hebben tot medische en administratieve voorzieningen. De rechtbank verwerpt alle beroepsgronden en verklaart het beroep ongegrond. Ten aanzien van de band met Italië oordeelt de rechtbank dat het bezit van een verblijfsvergunning in een EU-lidstaat op grond van artikel 3.106a lid 2 van het Vreemdelingenbesluit (oud) reeds volstaat als bewijs van een zeer sterke band met die staat. De duur van het verblijf in Nederland doet daar niet aan af. Ten aanzien van het artikel 3 EVRM-risico erkent de rechtbank weliswaar dat de algemene situatie voor statushouders in Italië problematisch is, maar stelt vast dat eiser onvoldoende concrete en individuele feiten en omstandigheden heeft aangevoerd om aannemelijk te maken dat hij persoonlijk zal worden blootgesteld aan een behandeling die de drempel van artikel 3 EVRM overschrijdt. De gestelde kwetsbaarheid in de zin van het Ibrahim-arrest is niet toereikend onderbouwd. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. Hoger beroep staat open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week.