Beroep Oekraïense partner terugkeerbesluit ongegrond verklaard
ECLI:NL:RBDHA:2026:28728, Rechtbank Den Haag, 31-07-2026, NL24.8788
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Terugkeerbesluit derdelander Oekraïne, gezinslid van Oekraïense onderdaan, 8 EVRM.
Kern van de zaak
Een man (eiser) ontving een terugkeerbesluit van de minister omdat hij niet als familielid van zijn Oekraïense partner werd aangemerkt. Hij betwistte dit en stelde dat zijn herstelde relatie met de Oekraïense partner een schending oplevert van artikel 8 EVRM. De zaak betrof twee terugkeerbesluiten: een van 21 februari 2024 en een vervangend besluit van 19 augustus 2025.
Beslissing van de rechter
Het beroep tegen het eerste terugkeerbesluit (21 februari 2024) is niet-ontvankelijk verklaard omdat dit besluit is ingetrokken en vervangen. Het beroep tegen het tweede terugkeerbesluit (19 augustus 2025) is ongegrond verklaard, omdat de relatie vóór 24 februari 2022 niet als gezinsverband in Oekraïne bestond en daarmee niet voldaan is aan de voorwaarden van het Uitvoeringsbesluit. De minister wordt wel veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 934,- wegens het prematuur nemen van het eerste besluit.
Impactscore
LaagDe uitspraak past bestaand beleid en regelgeving toe zonder nieuwe rechtsnormen te stellen; de impact is primair individueel en bevestigt reeds geldende interpretaties van het Uitvoeringsbesluit en de tijdelijke beschermingsregeling voor Oekraïners.
Belangrijkste punten
- 1Het terugkeerbesluit van 19 augustus 2025 vervangt het besluit van 21 februari 2024 op grond van artikel 6:19 lid 1 Awb.
- 2Eiser heeft geen belang meer bij beoordeling van het ingetrokken besluit van 21 februari 2024; dit beroep is niet-ontvankelijk.
- 3Op grond van artikel 2 lid 4 Uitvoeringsbesluit moet de gezinsband vóór 24 februari 2022 in Oekraïne hebben bestaan; de relatie was kort daarvoor beëindigd.
- 4Het feit dat de relatie vanaf mei 2024 in Nederland is hersteld, voldoet niet aan de vereisten van het Uitvoeringsbesluit en de Werkinstructie WI 2025/6.
- 5De proceskosten worden vergoed omdat het eerste terugkeerbesluit prematuur werd genomen.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de strikte uitleg van het familielidcriterium in de tijdelijke beschermingsregeling voor Oekraïners: een herstelde relatie in Nederland na de oorlog volstaat niet als basis voor gezinshereniging onder deze regeling. Dit verduidelijkt de toepassing van artikel 6:19 Awb bij vervangende besluiten in vreemdelingenzaken.
Praktische impact
Eiser dient Nederland te verlaten ondanks zijn herstelde relatie met zijn Oekraïense partner, omdat de relatie op de peildatum van 24 februari 2022 niet bestond. Anderen in vergelijkbare situaties kunnen geen bescherming als familielid claimen op basis van een na de oorlog herstelde relatie.
Onderwerp-impact
Voor Oekraïense ontheemden en hun partners geldt strikt dat het gezinsverband aantoonbaar vóór 24 februari 2022 in Oekraïne moet hebben bestaan; relaties die na de oorlog zijn hersteld of gestart in Nederland kwalificeren niet voor gezinsbescherming onder de tijdelijke beschermingsrichtlijn.
Samenvatting
In deze zaak bij Rechtbank Den Haag bestreed een man twee terugkeerbesluiten die de minister hem had opgelegd. De kern van het geschil was of eiser aangemerkt moest worden als familielid van zijn Oekraïense partner, mevrouw [naam], en of het opgelegde terugkeerbesluit een ongeoorloofde inbreuk vormde op het recht op gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM. De rechtbank stelde vast dat eiser en zijn partner vóór de Russische invasie op 24 februari 2022 een relatie hadden in Oekraïne, maar dat deze relatie circa een maand vóór het uitbreken van de oorlog werd beëindigd. Eiser reisde vervolgens naar Nederland, had hier tijdelijk een andere relatie en herstel van de relatie met zijn Oekraïense partner vond pas in mei 2024 plaats, in Nederland. Het eerste terugkeerbesluit van 21 februari 2024 werd door de minister ingetrokken en vervangen door een nieuw besluit van 19 augustus 2025, op grond van artikel 6:19 lid 1 Awb. Hierdoor had eiser geen belang meer bij beoordeling van het eerste besluit, zodat dit beroepsonderdeel niet-ontvankelijk werd verklaard. Voor het tweede besluit gold dat op grond van artikel 2 lid 4 van het Uitvoeringsbesluit en de Werkinstructie WI 2025/6 vereist is dat de gezinsband reeds vóór 24 februari 2022 in Oekraïne bestond. Aan deze voorwaarde was niet voldaan: de relatie was juist kort daarvoor verbroken. De rechtbank oordeelde dat het herstel van de relatie in Nederland na de oorlog geen grond oplevert voor erkenning als familielid onder de tijdelijke beschermingsregeling. Het beroep tegen het besluit van 19 augustus 2025 werd ongegrond verklaard. Omdat het eerste terugkeerbesluit prematuur was genomen, werd de minister wel veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser ten bedrage van € 934,-.