Beroep ongegrond: geen gezinsleven tussen zussen en referent
ECLI:NL:RBDHA:2026:28722, Rechtbank Den Haag, 31-07-2026, NL26.700
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Mvv verblijf als familie- of gezinslid, 8 EVRM, hechte persoonlijke banden, nader onderzoek identiteit. Het beroep is ongegrond.
Kern van de zaak
Twee zussen (eiseressen) uit het buitenland vroegen gezinshereniging aan via hun zus (referent) in Nederland. De minister wees de aanvraag af omdat er geen sprake zou zijn van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM. Eiseressen gingen in beroep en stelden dat nader onderzoek naar identiteit en familierechtelijke relatie had moeten worden aangeboden.
Beslissing van de rechter
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Doorslaggevend is dat de minister terecht heeft geconcludeerd dat geen sprake is van hechte persoonlijke banden (familie- en gezinsleven ex artikel 8 EVRM) tussen eiseressen en referent, nu zij al zes jaar gescheiden leven, er geen bijzondere zorgafhankelijkheid bestond en de geboden steun op afstand kan worden voortgezet.
Impactscore
LaagDe uitspraak past binnen een reeds gevestigd juridisch kader (RvS 2022) en bevat geen nieuwe rechtsvragen; de zaak is feitelijk van aard en betreft een individuele gezinsherenigingsbeslissing op een lagere rechter.
Belangrijkste punten
- 1Geen sprake van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM: eiseressen en referent leven al zes jaar gescheiden van elkaar.
- 2Referent heeft ten tijde van de samenwoning geen ouderlijke zorgtaken voor haar zussen overgenomen vanwege onvermogen van de ouders.
- 3Financiële en emotionele ondersteuning overstijgt niet de gebruikelijke omgang en kan op afstand worden voortgezet.
- 4Minister hoefde geen nader onderzoek (interview of DNA) aan te bieden, omdat dit het besluit inhoudelijk niet zou wijzigen.
- 5Asielgerelateerde aspecten (dreiging van uithuwelijking en besnijdenis) worden niet meegewogen bij de beoordeling van hechte persoonlijke banden in het kader van gezinshereniging.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat meerderjarige zussen niet zonder meer een beroep kunnen doen op artikel 8 EVRM voor gezinshereniging; 'more than normal emotional ties' dient te worden aangetoond met concrete, feitelijke omstandigheden. De verwijzing naar ECLI:NL:RVS:2022:1918 onderstreept dat dit toetsingskader al bestendige jurisprudentie betreft.
Praktische impact
Eiseressen kunnen geen verblijfsrecht in Nederland ontlenen aan de relatie met hun zus en worden geacht in hun land van herkomst te blijven. Eventuele dreigingen van uithuwelijking of besnijdenis dienen via een asielprocedure te worden ingebracht, niet via een gezinsherenigingsprocedure.
Onderwerp-impact
Voor gezinsherenigingszaken van meerderjarige zijverwanten benadrukt deze uitspraak dat enkel financiële en emotionele steun op afstand onvoldoende is om gezinsleven te constitueren; bijzondere afhankelijkheid of een historische zorgsituatie is vereist.
Samenvatting
In deze zaak vorderden twee zussen gezinshereniging met hun zus (referent) die in Nederland verblijft. De minister wees de aanvraag af, primair omdat geen sprake zou zijn van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM. Hoewel de minister twijfelde aan de identiteit van eiseressen en de familierechtelijke relatie, werd het voordeel van de twijfel gegeven. De afwijzing was inhoudelijk gestoeld op het ontbreken van hechte persoonlijke banden: eiseressen en referent leven al zes jaar gescheiden, referent heeft tijdens de samenwoning geen ouderlijke zorgtaken overgenomen vanwege onvermogen van de ouders, en de geboden financiële en emotionele steun is van dien aard dat zij op afstand kan worden voortgezet. De minister achtte nader onderzoek naar identiteit en familierechtelijke relatie niet nodig, nu dit het besluit inhoudelijk niet zou wijzigen. Eiseressen betoogden in beroep dat een interview of DNA-onderzoek had moeten worden aangeboden en dat praktische bezwaren als wachttijden en kosten geen valide redenen zijn om zulk onderzoek achterwege te laten. De rechtbank Den Haag volgt dit betoog niet. Zij oordeelt dat de minister terecht geen nader onderzoek heeft hoeven verrichten, nu de kern van het besluit niet de identiteit of de familierechtelijke relatie betreft, maar het ontbreken van de vereiste hechte persoonlijke banden. De door referent aangedragen dreigingen van uithuwelijking en besnijdenis door de stiefmoeder kwalificeren als asielgerelateerde aspecten en komen niet voor weging in een gezinsherenigingsprocedure. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, in lijn met de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2022:1918). Partijen kunnen binnen vier weken hoger beroep instellen bij de Afdeling.