Beroep ongegrond: geen familie- of gezinsleven artikel 8 EVRM
ECLI:NL:RBDHA:2026:28720, Rechtbank Den Haag, 26-08-2026, NL26.36
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Mvv verblijf als familie- of gezinslid, 8 EVRM, bijkomende elementen van afhankelijkheid. Het beroep is ongegrond.
Kern van de zaak
Eiseres (vermoedelijk Jemenitische nationaliteit) verzocht om verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM (familie- of gezinsleven) bij referent in Nederland. De minister wees de aanvraag af omdat geen sprake zou zijn van bijzondere afhankelijkheid die uitstijgt boven de gebruikelijke familiaire afhankelijkheid tussen volwassen familieleden. Eiseres ging in beroep bij de Rechtbank Den Haag.
Beslissing van de rechter
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en geeft eiseres geen proceskosten- of griffierechtvergoeding. Doorslaggevend is dat de minister voldoende gemotiveerd heeft vastgesteld dat de elementen van afhankelijkheid – samenwoning, gezondheidssituatie, financiële en emotionele afhankelijkheid en zwakke banden met het land van herkomst – in samenhang niet leiden tot een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid in de zin van artikel 8 EVRM.
Impactscore
LaagDe uitspraak is een toepassing van bestaande jurisprudentie over artikel 8 EVRM in het vreemdelingenrecht en stelt geen nieuwe rechtsregels. De zaak heeft beperkte precedentwerking en betreft een individuele feitelijke beoordeling.
Belangrijkste punten
- 1Volwassen familieleden moeten bijkomende elementen van afhankelijkheid aantonen die uitstijgen boven de gebruikelijke afhankelijkheid om bescherming onder artikel 8 EVRM te claimen.
- 2De minister heeft alle aangevoerde elementen (samenwoning, gezondheid, financiële en emotionele afhankelijkheid, zwakke banden met herkomstland) afzonderlijk en in samenhang beoordeeld.
- 3Het onvrijwillige karakter van de scheiding (vlucht referent vanuit Jemen/Saudi-Arabië naar Nederland) wordt door eiseres aangevoerd maar leidt niet tot een ander oordeel van de rechtbank.
- 4Niet-samenwoning in Turkije wordt eiseres en referent niet tegengeworpen, maar levert ook geen bijkomend afhankelijkheidselement op.
- 5De uitspraak is vatbaar voor hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de bestaande rechtslijn dat volwassen familieleden een concrete, objectiveerbare extra afhankelijkheid moeten aantonen om artikel 8 EVRM succesvol in te roepen bij een verblijfsrechtelijke procedure. De uitspraak voegt geen nieuwe rechtsontwikkeling toe.
Praktische impact
Eiseres krijgt geen verblijfsvergunning op grond van gezinsleven en dient Nederland te verlaten tenzij zij succesvol hoger beroep instelt bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De onvrijwillige scheiding door de vlucht van referent heeft in dit geval niet geleid tot het aannemen van beschermwaardig gezinsleven.
Onderwerp-impact
Voor vreemdelingen uit conflictgebieden zoals Jemen die een verblijfsvergunning beogen op grond van gezinshereniging met volwassen familieleden, verduidelijkt deze uitspraak dat ook bijzondere omstandigheden zoals oorlogsvlucht en langdurige separatie op zichzelf onvoldoende zijn zonder aantoonbare objectieve afhankelijkheid.
Samenvatting
Deze zaak betreft een beroep van een vrouw (vermoedelijk van Jemenitische afkomst) tegen de afwijzing van haar verblijfsaanvraag in Nederland door de minister, gebaseerd op het recht op eerbiediging van familie- of gezinsleven zoals beschermd door artikel 8 van het EVRM. Referent – haar volwassen familielid – woont in Nederland na te zijn gevlucht vanwege gevaarlijke omstandigheden in Jemen. De centrale juridische vraag is of er sprake is van een bijzondere afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en referent die uitstijgt boven de gebruikelijke afhankelijkheid tussen volwassen familieleden, hetgeen vereist is om gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM aan te nemen. De minister heeft bij de beoordeling alle relevante elementen betrokken: de duur en aard van samenwoning, de gezondheidssituatie van beide betrokkenen, financiële en emotionele afhankelijkheid, alsmede de zwakkere banden van eiseres met Jemen door langdurig verblijf elders. Geen van deze elementen, noch de combinatie ervan, leidde tot de conclusie dat sprake is van meer dan gebruikelijke afhankelijkheid. Eiseres betoogde dat de minister onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de langdurige samenwoning en aan het onvrijwillige karakter van de scheiding: referent moest Saudi-Arabië verlaten en vluchtte vervolgens naar Nederland vanwege de gevaarlijke situatie in Jemen. De rechtbank volgt dit betoog niet en oordeelt dat de minister de aanvraag op goede gronden heeft afgewezen. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Eiseres krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken. De uitspraak past binnen de vaste lijn dat artikel 8 EVRM voor volwassen familieleden een hogere drempel kent dan voor kerngezinnen, en bevestigt de beoordelingsvrijheid van de minister bij de feitelijke weging van afhankelijkheidselementen.