Verblijfsvergunning Azerbeidzjaan afgewezen ondanks beroep op artikel 8 EVRM
ECLI:NL:RBDHA:2026:28546, Rechtbank Den Haag, 21-08-2026, NL24.34677
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)VK; aanvraag verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM; bevoegdheid; vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van medische redenen en artikel 8 van het EVRM; paspoortvereiste; hardheidsclausule; artikel 4:84 van de Awb; artikel 64 van de Vw; gg.
Kern van de zaak
Een Azerbeidzjaanse man die sinds 1999 in Nederland woont heeft een verblijfsaanvraag ingediend. Zijn verblijfsvergunning werd in 2013 ingetrokken en in 2018 kreeg hij een inreisverbod. Hij beroept zich op familieleven (vader) en privéleven op grond van artikel 8 EVRM.
Beslissing van de rechter
De aanvraag is afgewezen; de rechtbank beoordeelt het beroep (de uitspraaktekst is onvolledig, waardoor de einduitkomst niet met zekerheid kan worden vastgesteld). De doorslaggevende overwegingen van verweerder zijn het ontbreken van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie met de vader, een negatieve belangenafweging voor het privéleven, en het niet voldoen aan het mvv-vereiste en het paspoortvereiste.
Impactscore
LaagHet betreft een individuele toepassing van bestaande vreemdelingenrechtelijke regels en artikel 8 EVRM-rechtspraak zonder nieuwe rechtsvragen; de uitspraaktekst is bovendien onvolledig, wat de beoordeling van de uiteindelijke beslissing bemoeilijkt.
Belangrijkste punten
- 1Bevoegdheidsgebrek: besluit genomen namens staatssecretaris in plaats van minister van Asiel en Migratie, maar verweerder neemt het besluit voor zijn rekening en mandaat was aanwezig.
- 2Geen beschermenswaardig familieleven ex artikel 8 EVRM: geen meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie met vader aangetoond.
- 3Privéleven erkend, maar belangenafweging valt in het nadeel van eiser uit.
- 4Eiser voldoet niet aan het mvv-vereiste, het paspoortvereiste en geen bijzondere omstandigheden ex artikel 4:84 Awb.
- 5Geen uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vreemdelingenwet 2000 toegekend, mede op basis van BMA-advies.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak illustreert dat een formeel bevoegdheidsgebrek (verkeerde beslissingsautoriteit na ministeriële herindeling per 2 juli 2024) kan worden gepasseerd wanneer de bevoegde minister het besluit alsnog voor zijn rekening neemt en mandaat aanwezig was. Dit bevestigt de lijn dat herstelbare gebreken de inhoudelijke beoordeling niet in de weg staan.
Praktische impact
Voor eiser betekent de afwijzing dat hij Nederland dient te verlaten; langdurig verblijf en de band met zijn vader wegen onvoldoende op tegen de openbare-ordebelangen en het niet voldoen aan formele vereisten. Andere vreemdelingen in vergelijkbare situaties (ingetrokken vergunning, inreisverbod, beroep op artikel 8 EVRM) kunnen aan deze uitspraak weinig extra bescherming ontlenen.
Onderwerp-impact
In migratiezaken bevestigt deze uitspraak dat enkel privéleven zonder bijzondere omstandigheden of meer dan gebruikelijke familieafhankelijkheid onvoldoende is om het mvv-vereiste te omzeilen of uitzetting te blokkeren.
Samenvatting
Deze zaak betreft een Azerbeidzjaanse man die in 1999 als kind naar Nederland kwam en wiens verblijfsvergunning in 2013 werd ingetrokken. Na een opgelegd inreisverbod in 2018 en meerdere mislukte verblijfsprocedures diende hij een nieuwe aanvraag in, met een beroep op familieleven (zijn vader als referent) en privéleven in de zin van artikel 8 EVRM. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiser niet voldeed aan het mvv-vereiste en niet in aanmerking kwam voor vrijstelling daarvan. Het BMA-advies van juli 2024 ondersteunde de conclusie dat geen grond bestond voor uitstel van vertrek op basis van artikel 64 Vw. Ten aanzien van artikel 8 EVRM oordeelde verweerder dat er geen sprake was van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie met de vader, zodat van beschermenswaardig familieleven geen sprake was. Hoewel privéleven werd erkend, viel de belangenafweging in het nadeel van eiser uit. Ook de hardheidsclausule en het paspoortvereiste boden geen soelaas. Een procedureel punt betrof de bevoegdheid: het besluit was abusievelijk genomen namens de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, terwijl per 2 juli 2024 de minister van Asiel en Migratie de bevoegde autoriteit is. De rechtbank kwalificeert dit als een gebrek, maar passeert het omdat de minister het besluit op zitting voor zijn rekening heeft genomen en het gemandateerde ambtenaar het besluit heeft genomen. De uitspraaktekst is onvolledig overgeleverd, waardoor de finale rechterlijke beslissing niet met volledige zekerheid kan worden vastgesteld. Op basis van de beschikbare overwegingen lijkt het beroep van eiser op de wezenlijke punten geen succes te hebben, nu de rechtbank de verweerderslijn op het bevoegdheidsgebrek al volgt en de inhoudelijke gronden van afwijzing niet lijken te worden doorbroken.