EU-verblijfsrecht afgewezen wegens feitelijk verblijf in Griekenland
ECLI:NL:RBDHA:2026:28232, Rechtbank Den Haag, 25-09-2026, NL25.34436 NL25.34413 NL25.34414
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Beroepen ongegrond, verblijf als Unieburger in Nederland, niet gebleken dat eiseres haar hoofdverblijf in Nederland heeft, eiser kan daarom geen beroep doen op een afgeleid verblijfsrecht, geen schending artikel 8 van het EVRM.
Kern van de zaak
Een gemeenschapsonderdaan (eiseres) en haar partner (eiser) hebben een aanvraag gedaan voor een EU-verblijfsdocument in Nederland. De minister wees de aanvraag af omdat eiseres sinds juni 2024 feitelijk in Griekenland verblijft om voor haar moeder te zorgen. Eisers tekenden beroep aan tegen dit besluit.
Beslissing van de rechter
De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag voor een EU-verblijfsdocument; de minister handhaafde de afwijzing omdat eiseres niet aantoonde nog feitelijk hoofdverblijf in Nederland te hebben. Doorslaggevend is dat eiseres zelf bevestigde naar Griekenland te zijn vertrokken, zij na juni 2024 geen inkomen meer in Nederland ontving en BRP-inschrijving onvoldoende is als bewijs van feitelijk verblijf.
Impactscore
LaagHet betreft een rechtbankuitspraak die bekende rechtspraak toepast over feitelijk verblijf en BRP-inschrijving; geen nieuwe rechtsnormen worden gesteld en de zaak is sterk feitelijk van aard.
Belangrijkste punten
- 1BRP-inschrijving alleen is onvoldoende bewijs van feitelijk hoofdverblijf in Nederland voor EU-verblijfsrecht
- 2Eiseres bevestigde zelf schriftelijk dat zij sinds juni 2024 in Griekenland verblijft voor mantelzorg
- 3SUWI-gegevens toonden aan dat eiseres na juni 2024 geen werk of inkomen meer in Nederland had
- 4Geen sprake van een uitzonderingssituatie ex artikel 8.15 Vreemdelingenbesluit
- 5De minister mag horen in bezwaar achterwege laten (art. 7:3 sub b Awb) enkel bij kennelijk ongegrond bezwaar; terughoudend gebruik vereist
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat feitelijk hoofdverblijf een materieel vereiste is voor EU-verblijfsrecht en dat formele inschrijving in de BRP dit niet vervangt. Tevens wordt de terughoudende toepassing van de uitzondering op de hoorplicht (art. 7:3 sub b Awb) in vreemdelingenzaken benadrukt.
Praktische impact
EU-burgers die Nederland tijdelijk verlaten voor mantelzorg of andere redenen riskeren hun verblijfsstatus te verliezen indien zij geen feitelijk hoofdverblijf in Nederland kunnen aantonen, ook al staan zij nog ingeschreven in de BRP.
Onderwerp-impact
Voor vreemdelingen en EU-burgers met familieleden buiten Nederland onderstreept deze zaak het belang van het actief documenteren van hoofdverblijf in Nederland, met name wat betreft arbeidsparticipatie en fysieke aanwezigheid.
Samenvatting
In deze zaak bij de Rechtbank Den Haag stonden twee aanvragen voor een EU-verblijfsdocument centraal. Eiseres, een gemeenschapsonderdaan, verzocht om een verblijfsrecht in Nederland; eiser vroeg verblijf als familielid bij eiseres als referente. De minister wees beide aanvragen af en handhaafde deze beslissing in bezwaar. De kern van het geschil betreft de aanvraag van eiseres: de minister stelde dat zij niet heeft aangetoond nog feitelijk in Nederland te verblijven. Eiseres had zelf schriftelijk bevestigd dat zij sinds juni 2024 naar Griekenland is vertrokken om voor haar moeder te zorgen. Uit SUWI-gegevens bleek bovendien dat zij na juni 2024 geen werk meer verrichtte of inkomen ontving in Nederland. De minister oordeelde dat de BRP-inschrijving van eiseres onvoldoende is om feitelijk hoofdverblijf in Nederland aan te tonen. Een beroep op de uitzonderingsgrond van artikel 8.15 van het Vreemdelingenbesluit slaagde niet, omdat geen bijzondere omstandigheden zijn aangetoond die een tijdelijke afwezigheid rechtvaardigen zonder verlies van verblijfsrecht. De rechtbank beoordeelt tevens de procedurele kwestie rond de hoorplicht in bezwaar: de minister mag op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb alleen van het horen afzien als het bezwaar kennelijk ongegrond is, dat wil zeggen dat op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat het bezwaar niet kan slagen. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft bepaald dat de minister terughoudend moet omgaan met deze uitzondering. De uitspraak illustreert dat voor EU-verblijfsrecht een materieel, feitelijk hoofdverblijf in Nederland vereist is en dat formele administratieve inschrijving dit niet kan vervangen. Voor betrokkenen met mantelzorgtaken in het buitenland heeft dit vergaande consequenties voor hun verblijfsstatus in Nederland.