Beroep gezinshereniging ongegrond wegens ontbrekend gezinsleven
ECLI:NL:RBDHA:2026:27706, Rechtbank Den Haag, 22-09-2026, NL25.20386
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Artikel 8 EVRM. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat niet is gebleken dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiser en zijn moeder. Beroep ongegrond.
Kern van de zaak
Een volwassen man (eiser) vraagt verblijfsvergunning op grond van gezinshereniging met zijn moeder, zusje en referente in Nederland. De IND wijst de aanvraag af omdat geen sprake is van beschermenswaardig familie- en gezinsleven ex artikel 8 EVRM. Eiser maakt bezwaar en stelt vervolgens beroep in bij de rechtbank.
Beslissing van de rechter
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Doorslaggevend is dat eiser als volwassene geen bijzondere afhankelijkheidsrelatie ('more than normal emotional ties') heeft met zijn moeder of referente, zijn zusje geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, en daarmee geen beschermenswaardig gezinsleven ex artikel 8 EVRM bestaat dat tot verblijfsverlening verplicht.
Impactscore
LaagDe uitspraak past de gevestigde rechtspraak over artikel 8 EVRM en gezinshereniging toe op een individueel geval zonder nieuwe rechtsnormen te stellen; de precedentwaarde is beperkt.
Belangrijkste punten
- 1Tussen eiser en zijn volwassen moeder en referente is geen sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gewone emotionele banden tussen volwassen familieleden overstijgen.
- 2Het zusje (persoon 1) heeft haar verblijfsdocument nooit afgehaald en heeft geen rechtmatig verblijf in Nederland, waardoor verblijfsverlening bij haar niet mogelijk is.
- 3Het jongvolwassenenbeleid is niet van toepassing omdat eiser niet financieel afhankelijk is van zijn moeder.
- 4Verweerder is enkel gehouden een belangenafweging te maken indien eerst beschermenswaardig familie- en gezinsleven is vastgesteld; nu dat ontbreekt, blijft een afweging achterwege.
- 5Eiser wordt vrijgesteld van griffierecht; proceskosten worden niet vergoed omdat het beroep ongegrond is.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat volwassen kinderen voor een beroep op artikel 8 EVRM méér moeten aantonen dan normale emotionele banden met ouders of familieleden, en dat verblijfsverlening bij een referent zonder rechtmatig verblijf juridisch niet mogelijk is.
Praktische impact
Eiser verkrijgt geen verblijfsvergunning op grond van gezinshereniging en kan alleen via hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verdere rechtsmiddelen aanwenden.
Onderwerp-impact
De uitspraak onderstreept de strikte toepassing van de afhankelijkheidseis in gezinsherenigingszaken voor volwassenen, wat vergelijkbare aanvragen door meerderjarige familieleden bemoeilijkt.
Samenvatting
In deze zaak bij de Rechtbank Den Haag verzocht een volwassen man (eiser) om een verblijfsvergunning op grond van gezinshereniging met zijn moeder, zijn zusje en een referente die in Nederland woonachtig zijn. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) wees de aanvraag af en verklaarde het bezwaar van eiser ongegrond, waarna eiser beroep instelde. De centrale rechtsvraag was of tussen eiser en zijn familieleden sprake is van beschermenswaardig familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM, en zo ja, of de belangenafweging in het voordeel van eiser dient uit te vallen. De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht geen beschermenswaardig gezinsleven heeft aangenomen. Ten aanzien van de moeder en de referente geldt dat eiser als meerderjarige geen bijzondere emotionele of feitelijke afhankelijkheidsrelatie heeft aangetoond die de normale banden tussen volwassen familieleden overstijgt. Het jongvolwassenenbeleid is evenmin van toepassing, nu eiser niet financieel afhankelijk is van zijn moeder. Wat betreft het zusje: zij heeft haar verblijfsdocument nimmer afgehaald, is Nederland verlaten en heeft geen rechtmatig verblijf meer. Verblijfsverlening 'bij' een persoon zonder rechtmatig verblijf is juridisch niet mogelijk, zodat de band met het zusje buiten beschouwing blijft. Omdat de vaststelling van beschermenswaardig gezinsleven een noodzakelijke voorwaarde is voor een verplichte belangenafweging, is verweerder niet gehouden die afweging alsnog te maken. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Eiser wordt vrijgesteld van griffierecht omdat hij voldoende aannemelijk heeft gemaakt aan de vrijstellingsvoorwaarden te voldoen, maar een proceskostenveroordeling blijft achterwege nu eiser in het ongelijk is gesteld. Eiser kan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.