Gezinshereniging geweigerd: geen familieleven jongvolwassene met ouders
ECLI:NL:RBDHA:2026:27288, Rechtbank Den Haag, 18-09-2026, NL24.16102
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Artikel 8 van het EVRM. Referent is afkomstig uit Afghanistan en heeft om gezinshereniging met zijn ouders, broers en zus verzocht. De rechtbank komt voltoetsend tot de conclusie dat er geen sprake is van familieleven tussen referent en zijn ouders, tussen referent en zijn meerderjarige broer en tussen referent en zijn minderjarige broers en zus. De minister was daarom niet gehouden om een belangenafweging te maken. Ook kent de rechtbank een schadevergoeding toe voor de overschrijding van de redelijke termijn. Het beroep is ongegrond.
Kern van de zaak
Twee Afghaanse ouders (eisers) proberen via gezinshereniging naar Nederland te komen bij hun meerderjarige zoon (referent). De minister weigerde de aanvraag omdat er geen sprake zou zijn van familieleven in de zin van artikel 8 EVRM. Eisers bestrijden dit en beroepen zich op het zogenoemde jongvolwassenenbeleid.
Beslissing van de rechter
Het beroep van eisers wordt ongegrond verklaard; de rechtbank oordeelt volledig toetsend dat er geen familieleven bestaat tussen referent en zijn ouders in de zin van artikel 8 EVRM. Doorslaggevend is dat referent zelfstandig de keuze heeft gemaakt om aan de militaire academie te gaan studeren, niet meer bij eisers woont en ook niet is teruggekeerd naar de ouderlijke woning, waardoor de rechtbank stappen naar zelfstandigheid aanwezig acht.
Impactscore
LaagHet betreft een feitelijke toepassing van bestaand beleid en vaste jurisprudentie over artikel 8 EVRM in gezinshereniging; er worden geen nieuwe rechtsvragen beantwoord of nieuwe regels gesteld.
Belangrijkste punten
- 1De rechtbank toetst vol of er sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 EVRM tussen referent (jongvolwassene) en zijn ouders.
- 2Het jongvolwassenenbeleid vereist dat de jongvolwassene geen stap naar zelfstandigheid heeft gezet; de rechtbank oordeelt dat referent dit wel heeft gedaan door zelfstandig te kiezen voor een militaire opleiding en het ouderlijk huis te verlaten.
- 3Het feit dat referent zijn maandelijkse inkomen volledig aan zijn zieke en gehandicapte ouders overmaakte, maakt het oordeel over zelfstandigheid niet anders.
- 4De medische situatie van eisers (vader deels blind, moeder kankerpatiënt) speelt mee in de feitelijke beoordeling, maar leidt niet tot een ander rechtsoordeel over het bestaan van familieleven.
- 5De beroepsgrond dat contra-indicaties op grond van EHRM-jurisprudentie niet in de weg staan aan het aannemen van familieleven, wordt verworpen.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de strikte toepassing van het jongvolwassenenbeleid: financiële steun aan ouders en de wens van zelfstandigheid niet te willen nemen zijn onvoldoende om het zetten van feitelijke stappen naar zelfstandigheid te ontkrachten. Dit biedt weinig nieuwe rechtsontwikkeling maar consolideert de bestaande beleidslijn.
Praktische impact
Voor de Afghaanse ouders betekent de uitspraak dat hun beroep op gezinshereniging bij hun meerderjarige zoon in Nederland wordt afgewezen, ondanks hun medische kwetsbaarheid en financiële afhankelijkheid van referent.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenrechtelijke procedures over gezinshereniging van jongvolwassenen benadrukt deze uitspraak dat het zelfstandig verlaten van de ouderlijke woning en een eigen opleiding of carrière kiezen doorslaggevende factoren zijn, ook als de motivatie daarvoor familiaal van aard is.
Samenvatting
In deze zaak verzochten twee Afghaanse ouders om gezinshereniging met hun meerderjarige zoon, die als referent in Nederland verblijft. De minister had de aanvraag afgewezen omdat er geen familieleven zou bestaan in de zin van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Eisers bestreden dit standpunt en beriepen zich onder meer op het zogeheten jongvolwassenenbeleid, op grond waarvan familieleven kan worden aangenomen als de jongvolwassene geen stap naar zelfstandigheid heeft willen zetten. Zij betoogden dat referent geen eigen keuze had gemaakt om zelfstandig te worden en dat het feit dat hij geld naar zijn ouders stuurde, aantoonde dat hij nog deel uitmaakte van het gezin. De Rechtbank Den Haag heeft het beroep ongegrond verklaard. Na een volle toetsing van de feiten en omstandigheden oordeelt de rechtbank dat er geen sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 EVRM. De rechtbank stelt vast dat referent zelfstandig en zonder tussenkomst van zijn ouders de keuze heeft gemaakt om aan de militaire academie te gaan studeren, dat hij sindsdien niet meer samenwoont met eisers en ook niet naar de ouderlijke woning is teruggekeerd. De rechtbank beschouwt dit als concrete stappen naar zelfstandigheid. Dat referent zijn inkomen volledig afdroeg aan zijn ouders — mede vanwege de slechte gezondheid van zijn vader (deels blind) en zijn moeder (langdurig kankerpatiënt) — doet aan dit oordeel niet af. De rechtbank verwerpt daarmee de beroepsgrond dat contra-indicaties op grond van EHRM-jurisprudentie niet in de weg staan aan het aannemen van familieleven. De uitspraak past binnen de bestaande beleidslijn en biedt weinig ruimte voor een beroep op familiaire betrokkenheid wanneer een jongvolwassene feitelijk zelfstandig leeft en functioneert.