Uitzetting verboden hangende beroep gezinshereniging vreemdeling
ECLI:NL:RBDHA:2026:27284, Rechtbank Den Haag, 18-09-2026, NL26.29786
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Vovo toegewezen, 8 EVRM, geen reactie verweerder, artikel 8 Vw.
Kern van de zaak
Een vreemdeling diende op 11 juni 2025 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor gezinshereniging op grond van artikel 8 EVRM. De minister wees de aanvraag af na een voor verzoeker ongunstige belangenafweging, ook na bezwaar. Verzoeker vreest uitzetting voordat zijn beroep is behandeld en vroeg een voorlopige voorziening.
Beslissing van de rechter
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en verbiedt de uitzetting tot vier weken nadat op het beroep is beslist. Doorslaggevend is dat verzoeker zonder rechtmatig verblijf in de zin van de Vreemdelingenwet uitzetbaar blijft hangende het beroep en daardoor ook geen verblijfssticker kan verkrijgen, wat zijn positie in Nederland feitelijk ondermijnt.
Impactscore
LaagHet betreft een individuele voorlopige voorzieningsbeslissing zonder nieuwe rechtsontwikkeling; de uitkomst past binnen bestaande vreemdelingrechtelijke praktijk en heeft geen precedentwerking buiten de zaak.
Belangrijkste punten
- 1Artikel 8 EVRM (recht op familie- en gezinsleven) wordt door de minister erkend, maar de belangenafweging valt in het nadeel van verzoeker uit
- 2Het indienen van een verzoek om voorlopige voorziening schort uitzetting beleidsmatig op, maar levert geen rechtmatig verblijf op ex artikel 8 Vw 2000
- 3Zonder verblijfssticker kan verzoeker zijn rechtmatige aanwezigheid niet aantonen, wat praktische problemen oplevert
- 4De beslissing heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een eventueel bodemgeding niet
- 5Uitspraak gedaan zonder zitting (schriftelijke behandeling)
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat een beleidsmatige opschorting van uitzetting onvoldoende is om rechtmatig verblijf te creëren en dat de voorzieningenrechter een zelfstandig verbod kan opleggen om dit feitelijke vacuüm op te vullen. Dit sluit aan bij vaste lijn in vreemdelingenrechtspraak over de lacune tussen beleid en wettelijk rechtmatig verblijf.
Praktische impact
Verzoeker mag Nederland niet worden uitgezet totdat de bodemrechter op zijn beroep heeft beslist, waardoor hij de procedure in Nederland kan afwachten en vermoedelijk ook een verblijfssticker kan ontvangen die zijn aanwezigheid legitimeert.
Onderwerp-impact
Voor gezinsherenigingsprocedures onderstreept deze uitspraak het belang van de voorlopige voorzieningenprocedure als vangnet wanneer de minister geen opschortend effect toekent aan het beroep, met name in gevallen waarin artikel 8 EVRM-belangen in het geding zijn.
Samenvatting
In deze zaak verzocht een vreemdeling de voorzieningenrechter van Rechtbank Den Haag om zijn uitzetting te verbieden hangende zijn beroepsprocedure tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier op grond van gezinshereniging (artikel 8 EVRM). De minister had de aanvraag op 28 augustus 2025 afgewezen en na bezwaar op 30 april 2026 de afwijzing gehandhaafd. Hoewel de minister het bestaan van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM erkende, viel de vereiste belangenafweging in het nadeel van verzoeker uit. Verzoeker stelde beroep in en vroeg tegelijkertijd een voorlopige voorziening aan omdat de minister hem niet toestond de uitkomst van zijn beroep in Nederland af te wachten. Kernprobleem was dat het indienen van een verzoek om voorlopige voorziening weliswaar beleidsmatig uitzettingshandelingen opschort, maar geen rechtmatig verblijf oplevert in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000. Zonder dat rechtmatig verblijf kan verzoeker geen verblijfssticker in zijn paspoort krijgen, terwijl die sticker van praktisch belang is voor zijn dagelijkse situatie in Nederland gedurende de lopende procedure. De voorzieningenrechter wees het verzoek toe en verbood de uitzetting tot vier weken na de uitspraak in de bodemzaak. De rechter benadrukte daarbij dat het oordeel een voorlopig karakter heeft en de rechtbank in een eventueel bodemgeding niet bindt. De zaak illustreert de structurele spanning tussen het beleid van de minister om uitzetting hangende een kort geding op te schorten en de wettelijke vereisten voor rechtmatig verblijf: die twee zijn niet gelijk, waardoor vreemdelingen in een juridisch vacuüm kunnen terechtkomen dat slechts via een rechterlijk verbod kan worden gedicht.