ECLI:NL:RBDHA:2026:27042, Rechtbank Den Haag, 15-09-2026, NL26.52277
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Kennisgeving artikel 6, derde lid, van de Vw. De rechtbank stelt vast dat voorafgaand aan het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel eiser is gehoord en aan hem is gevraagd of er feiten en omstandigheden zijn die maken dat in zijn geval had moeten worden afgezien van het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel. Eiser heeft daarop geen (medische) omstandigheden aangevoerd. De minister heeft zich daarom in de vrijheidsontnemende maatregel op het standpunt kunnen stellen dat eiser geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die aanleiding geven voor de conclusie dat de vrijheidsontnemende maatregel in zijn geval onevenredig bezwarend is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in eisers geval, gezien het voorgaande en gelet op het zwaarwegend grensbewakingsbelang, terecht geen aanleiding gezien om een lichter middel toe te passen. Beroep ongegrond.
AI-analyse is nog niet beschikbaar voor deze uitspraak.